Archief 745
Inventaris 745-352
Pagina 423
Dossier 25
Jaar 1941
Stadsarchief

Getypt afschrift van een brief.

3 november 1941. Van: G. Wels, wonende aan de Bataviastraat 77 hs, Amsterdam-Oost. Dossier: 32/5/4, 563

Origineel

Getypt afschrift van een brief. 3 november 1941. G. Wels, wonende aan de Bataviastraat 77 hs, Amsterdam-Oost. No. 32/5/4 M.1941 AFSCHRIFT.

No. 563 L.M.1941 5/11

                       Amsterdam, 3/11/41.

WelEdelachtbare Heeren,

          Bij de nieuwe verordening van het Marktwezen van H.H.

Burgemeester en Wethouders voor de Joodsche marktkramers van ont-
ruiming der erkende dagmarkten en weekmarkten zou het geen aan-
beveling verdienen als dat men op Zaterdag de Sumatra en Dapper-
straatmarkten samensmelt aangezien dit op beide markten een
troostelooze aanblik afwerpt door geringe deelname van enkele
kooplieden dan maakte deze twee markten nog misschien een geheel.
Hopende dat dit door UEdle Heeren in overweging genomen mag
worden want den Sumatrastraatmarkt op Zaterdag was al zoo slecht
bezet. Bij voorbaat blijft adressant U hoogst dankbaar.
Met de meeste hoogachting.

                             w.g. G. Wels,
                             Bataviastraat 77 hs,
                             Amsterdam-Oost. In deze brief doet G. Wels een formeel voorstel aan het Amsterdamse stadsbestuur naar aanleiding van de ingrijpende veranderingen op de Amsterdamse markten tijdens de bezetting.

De kern van het schrijven is een pleidooi voor het samenvoegen van de markt in de Sumatrastraat en de Dapperstraat op zaterdagen. De aanleiding hiervoor is de "nieuwe verordening" waardoor Joodse marktkramers niet meer op de reguliere markten mochten staan. Wels constateert dat door het vertrek van deze grote groep kooplieden de markten in Amsterdam-Oost er "troosteloos" bij liggen met slechts "enkele kooplieden". Hij stelt voor om de resterende kramers op één plek te concentreren om zo weer een volwaardige markt te creëren.

De toon is uiterst beleefd en ambtelijk ("WelEdelachtbare Heeren", "adressant blijft U hoogst dankbaar"), wat typerend is voor correspondentie met de overheid in die tijd. De brief toont de directe, visuele impact van de anti-Joodse maatregelen op het straatbeeld en de lokale economie van Amsterdam-Oost. Het document dateert uit november 1941, een periode waarin de Duitse bezetter de vrijheden van de Joodse bevolking in Nederland steeds verder inperkte.

In september 1941 werd verordening 198/1941 van kracht. Deze bepaalde dat Joden geen handel meer mochten drijven op openbare markten, behalve op speciaal aangewezen "Joodsche markten". In Amsterdam-Oost, een wijk met een zeer groot aandeel Joodse bewoners en marktkooplieden, leidde dit tot een abrupte leegloop op de reguliere dagmarkten zoals de Dapperstraat.

De schrijver van de brief, G. Wels, woonde in de Indische Buurt (Bataviastraat). Hij observeerde de gevolgen van deze segregatie vanuit een praktisch en esthetisch oogpunt: de markten waren nog maar half gevuld en verloren hun functie en levendigheid. Hoewel de brief niet direct protesteert tegen de uitsluiting van de Joodse medeburgers, documenteert het wel de ontreddering die deze nazi-maatregelen teweegbrachten in de sociale structuur van de stad. G. Wels H.H. Marktwezen

Samenvatting

In deze brief doet G. Wels een formeel voorstel aan het Amsterdamse stadsbestuur naar aanleiding van de ingrijpende veranderingen op de Amsterdamse markten tijdens de bezetting.

De kern van het schrijven is een pleidooi voor het samenvoegen van de markt in de Sumatrastraat en de Dapperstraat op zaterdagen. De aanleiding hiervoor is de "nieuwe verordening" waardoor Joodse marktkramers niet meer op de reguliere markten mochten staan. Wels constateert dat door het vertrek van deze grote groep kooplieden de markten in Amsterdam-Oost er "troosteloos" bij liggen met slechts "enkele kooplieden". Hij stelt voor om de resterende kramers op één plek te concentreren om zo weer een volwaardige markt te creëren.

De toon is uiterst beleefd en ambtelijk ("WelEdelachtbare Heeren", "adressant blijft U hoogst dankbaar"), wat typerend is voor correspondentie met de overheid in die tijd. De brief toont de directe, visuele impact van de anti-Joodse maatregelen op het straatbeeld en de lokale economie van Amsterdam-Oost.

Historische Context

Het document dateert uit november 1941, een periode waarin de Duitse bezetter de vrijheden van de Joodse bevolking in Nederland steeds verder inperkte.

In september 1941 werd verordening 198/1941 van kracht. Deze bepaalde dat Joden geen handel meer mochten drijven op openbare markten, behalve op speciaal aangewezen "Joodsche markten". In Amsterdam-Oost, een wijk met een zeer groot aandeel Joodse bewoners en marktkooplieden, leidde dit tot een abrupte leegloop op de reguliere dagmarkten zoals de Dapperstraat.

De schrijver van de brief, G. Wels, woonde in de Indische Buurt (Bataviastraat). Hij observeerde de gevolgen van deze segregatie vanuit een praktisch en esthetisch oogpunt: de markten waren nog maar half gevuld en verloren hun functie en levendigheid. Hoewel de brief niet direct protesteert tegen de uitsluiting van de Joodse medeburgers, documenteert het wel de ontreddering die deze nazi-maatregelen teweegbrachten in de sociale structuur van de stad.

Genoemde Personen 2

Locaties

Dappermarkt

Producten

A.G.F. (Fruit): Fruit A.G.F. (Fruit): Peren Kruidenier (Droog): Meel Vis & Zee: Aal Vis & Zee: Vis

Thema's

Jodenster/Maatregelen

Organisaties

Marktwezen

Gerelateerde Documenten 2