Ambtelijk rapport/verslag.
Origineel
Ambtelijk rapport/verslag. 31 augustus 1940. Een controleur van de Centrale Markt (ondertekening lijkt op "G. Zeeuw"). De Bedrijfschef van de Centrale Markt te Amsterdam. Rapport.
Naar aanleiding van uwe opdracht betreffende
tuinder G. Bosse (plaats 8.g Hal) deel ik U mede
dat deze tuinder mij verklaarde dat hij, nadat
hij in militaire dienst moest opkomen in 1939
in hoofdzaak de producten van zijn tuin heeft
ingezonden bij de N.V. Nederlandsche Veiling.
In 1940 had hij niets meer ten verkoop aan
te bieden zoodat hij niet via de markt, doch
ook niet via de Ned. Veiling iets heeft verkocht.
De tuinder C.P. v. d. Hoek (Hal plaats 74) heeft echter
in de maand Mei 1940 ongeveer 3 maal iets voor
hem, van diens verkoopplaats verkocht. Doch dit zou
van weinig beteekenis geweest zijn.
Amsterdam 31 Augt 1940
de Controleur
[Handtekening, mogelijk G. Zeeuw]
Aan den Heer Bedrijfschef
der Centrale Markt.
[Links onderaan paraaf: Gvb] Dit handgeschreven rapport is een verslag van een controleur naar aanleiding van een specifieke opdracht om de verkoopactiviteiten van bepaalde tuinders te verifiëren.
De kern van de zaak is de verklaring van tuinder G. Bosse. Hij beweert dat hij sinds zijn mobilisatie in 1939 (de Nederlandse krijgsmacht werd in augustus 1939 gemobiliseerd vanwege de oorlogsdreiging) zijn producten voornamelijk via de officiële veiling (N.V. Nederlandsche Veiling) verkocht. Voor het jaar 1940 claimt hij helemaal niets te hebben verkocht.
De controleur heeft echter een discrepantie gevonden: een andere tuinder, C.P. van der Hoek, heeft in mei 1940 (de maand van de Duitse inval) driemaal producten verkocht vanaf de staanplaats van Bosse. Hoewel de controleur opmerkt dat dit van "weinig beteekenis" zou zijn geweest, duidt het rapport op een nauwlettend toezicht op de goederenstromen en de naleving van de marktregels.
Het handschrift is een vlot, zakelijk cursiefschrift dat kenmerkend is voor de eerste helft van de 20e eeuw. Het document dateert van 31 augustus 1940, slechts enkele maanden na de capitulatie van Nederland (15 mei 1940). Tijdens de Duitse bezetting werd het toezicht op de voedselvoorziening en de distributie van landbouwproducten drastisch aangescherpt. De Centrale Markt in Amsterdam (nu het Food Center Amsterdam) speelde hierin een cruciale rol als distributiepunt.
De vermelding van de militaire dienst in 1939 verwijst naar de Nederlandse mobilisatie. Veel tuinders moesten hun bedrijf achterlaten of op een lager pitje voortzetten omdat zij onder de wapenen werden geroepen.
Onderzoekjes zoals deze waren vaak bedoeld om illegale handel buiten de officiële kanalen (de zwarte markt) om te voorkomen. In dit vroege stadium van de bezetting was de schaarste nog niet zo nijpend als later in de oorlog, maar het systeem van marktplaatsen en veilingen werd al streng gecontroleerd om de voedselvoorziening onder regie van de overheid (en de bezetter) te houden.