Getypte brief (afschrift).
Origineel
Getypte brief (afschrift). 16 december 1941. J.J. Griffioen (Bilderdijkkade 31, Amsterdam-W.). Den Weledelachtbaren Heer J. Voûte, Burgemeester van Amsterdam. No. 1189 L.M. 1941. 19/12 AFSCHRIFT.
J.J. Griffioen. Amsterdam-W., 16 December 1941.
Bilderdijkkade 31.
Den Welede lachtbaren Heer J. Voûte,
Burgemeester van
Amsterdam.
Weledelachtbare Heer,
Zooals U hierboven ziet ben ik grossier in groenten en fruit en ik zou U hiervan nog kunnen overtuigen, door U mijn erkenning van de Nederlandsche Groenten- en Fruitcentrale te toonen.
Grossier in groenten en fruit te zijn, beteekent, dat men ook groenten en fruit mag in- en verkoopen.
Nu zijn er collega's die een "ordening" in de handel in rapen, wortelen en uien doorvoeren en waarvan ik vermeen, dat deze Uw goedkeuring of zelfs Uw sanctie heeft.
Ongetwijfeld bent U er niet van op de hoogte, dat ik, en met mij verschillende andere collega's, waaronder groote grossiers door de "ordenende" collega's van deze tak van de groentenhandel ben uitgesloten.
Daar dit momenteel de hoofdzaak van de groentenhandel is, geloof ik niet, dat het Uw bedoeling zal zijn een gedeelte van de grossiers het belangrijkste deel van hun broodwinning te ontnemen en daarom vertrouw ik dan ook, dat U mijn verzoek tot een spoedig mondeling onderhoud zult willen toestaan.
De volgende collega's, die in dezelfde omstandigheden verkeeren, zouden graag bij het onderhoud tegenwoordig zijn en aan de besprekingen deelnemen, namelijk de heeren Harten, J. Moos, Dikstaal, Lindeman, v.d. Wal, allen evenals ik grossiers in groenten op de Centrale Markt.
Met belangstelling zien wij Uw antwoord tegemoet en zeggen U bij voorbaat dank voor Uw welwillendheid.
hoogachtend,
w.g. J.J. Griffioen. In deze brief beklaagt J.J. Griffioen zich namens een groep grossiers van de Centrale Markt over een vorm van kartelvorming of marktregulering onder het mom van "ordening". Hij stelt dat een specifieke groep collega's de handel in essentiële producten (rapen, wortelen, uien) monopoliseert en beweert dat zij hiervoor toestemming hebben van de burgemeester.
Griffioen betoogt dat deze uitsluiting hun broodwinning direct bedreigt, aangezien de handel in deze specifieke producten op dat moment de "hoofdzaak" van hun nering vormt. Hij verzoekt om een persoonlijk onderhoud met de burgemeester om deze situatie recht te zetten. De toon is beleefd en formeel, maar de onderliggende boodschap is een dringende noodkreet om economische overleving. De brief dateert uit december 1941, tijdens de Duitse bezetting van Nederland. De geadresseerde, Edward Voûte, was de door de bezetter benoemde regeringscommissaris (burgemeester) van Amsterdam.
De term "ordening" was in deze periode een veelgebruikt eufemisme voor de gelijkschakeling en herstructurering van de economie naar Duits model. Hoewel de brief spreekt over handelsgeschillen tussen grossiers, moet men rekening houden met de bredere context van schaarste en distributie tijdens de oorlog. De Centrale Markt (tegenwoordig het Food Center Amsterdam) was het hart van de voedselvoorziening in de stad. De genoemde namen (o.a. J. Moos) roepen de vraag op of er ook sprake was van de systematische uitsluiting van Joodse handelaren, wat in deze periode een actueel en destructief onderdeel van de "ordening" van de markten was.