Officiële brief / ambtelijke correspondentie.
Origineel
Officiële brief / ambtelijke correspondentie. 7 december 1940. De Wethouder voor de Levensmiddelen, Wasch- en schoonmaak-, bad- en zweminrichtingen (namens Burgemeester en Wethouders). [Stempel linksboven:] Nº 1/101/3
[Stempel midden boven:] M 1940 9/12
GEMEENTE AMSTERDAM
AFD. L.M.
AMSTERDAM, 7 December 1940.
No. 1066 -1940-
[Handgeschreven:] m. Dir
BIJLAGEN
[Gedrukte tekst rechts:] MEN WORDT VERZOCHT BIJ HET ANTWOORD NAUWKEURIG HET NUMMER VAN DIT SCHRIJVEN EN DE AFDEELING TE VERMELDEN.
In antwoord op Uw schrijven d.d. 22 November j.l. betreffende het verzoek van een organisatie om adressen van handelaren, deel ik U mede, dat Burgemeester en Wethouders bezwaren hebben om adressen, die ambtshalve verkregen zijn, aan anderen te verstrekken.
VM
[Handgeschreven:] v
De Wethouder voor de Levensmiddelen, Wasch- en schoonmaak-, bad- en zweminrichtingen,
[Handgeschreven paars cijfer:] 7
[Handtekening]
Aan den heer Directeur van den Dienst van het Marktwezen.
[Linksonder:] Model G.A. 5 25000-1-'40
[Rechtsonder, handgeschreven:] 20 De kern van deze brief is een formele afwijzing van een verzoek om informatie. Een niet nader genoemde "organisatie" heeft geprobeerd via de Dienst van het Marktwezen adressen van handelaren te bemachtigen.
Het College van Burgemeester en Wethouders (B&W) van Amsterdam stelt hier een duidelijke grens: gegevens die de overheid "ambtshalve" (uit hoofde van haar functie) heeft verkregen, mogen niet zomaar aan derden worden verstrekt. Dit getuigt van het handhaven van ambtelijke geheimhouding en de bescherming van bedrijfsgegevens, zelfs in een tijd van toenemende externe druk. De toon is kort, zakelijk en beslist. Dit document dateert van december 1940, zeven maanden na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. In deze periode begon de bezetter steeds meer invloed uit te oefenen op de Nederlandse administratie en economie.
Hoewel de brief de "organisatie" niet bij naam noemt, is de historische context van belang: tijdens de bezetting probeerden diverse (vaak aan de bezetter gelieerde) instanties lijsten van bedrijven en handelaren te verkrijgen. Dit werd vaak gedaan voor economische stroomlijning, maar vaker nog om Joodse ondernemingen te identificeren ("arisering").
De weigering van B&W om deze gegevens te delen op basis van de ambtshulpregeling kan gezien worden als een voortzetting van de vooroorlogse bestuurlijke integriteit. Het laat zien dat de gemeentelijke bureaucratie in de eerste winter van de oorlog nog vasthield aan de bestaande regels betreffende privacy en gegevensbeheer, ongeacht wie de verzoekende partij was. De "Dienst van het Marktwezen" was in Amsterdam verantwoordelijk voor het toezicht op markten en handelaren, en beschikte daardoor over gedetailleerde registers.