Brief (doorslag of archiefexemplaar)
Origineel
Brief (doorslag of archiefexemplaar) 25 november 1941 De Directeur van de Visschery-Centrale (vermoedelijk) Den Heer H. Koelewyn, 1e Sweelinckstraat 20 I, Amsterdam-Zuid Verzonden 25/11
den Heer H.Koelewyn,
1e Sweelinckstraat 20 I,
Amsterdam-Zuid.
46A/81/2 M. 25 November 1941.
Naar aanleiding van Uw brief d.d. October 1941 deel ik U mede, dat na onderzoek door de door de Visschery-Centrale ingestelde Commissie is gebleken, dat U nimmer in zoetwatervisch heeft gehandeld.
Aan Uw verzoek kan derhalve geen gevolg worden gegeven.
De Directeur, Deze korte, zakelijke brief is een officiële afwijzing van een verzoek dat in oktober 1941 door de heer H. Koelewijn was ingediend. De kern van de afwijzing is bureaucratisch van aard: een commissie heeft vastgesteld dat de aanvrager nooit in zoetwatervis heeft gehandeld.
De brief is waarschijnlijk een kopie voor het archief, wat blijkt uit de handgeschreven aantekening "Verzonden 25/11" bovenaan. Het taalgebruik is formeel en direct ("deel ik U mede", "geen gevolg worden gegeven"). Het feit dat een specifieke commissie van de "Visschery-Centrale" (Visserijcentrale) de zaak heeft onderzocht, wijst op een strikte regulering van de handel tijdens deze periode. Het document dateert uit november 1941, ruim anderhalf jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de Nederlandse economie strak gereguleerd door de bezetter en de gelijkgeschakelde Nederlandse departementen. De "Visschery-Centrale" was een van de crisisinstellingen die toezagen op de productie, distributie en handel in levensmiddelen.
In deze periode werden vergunningen voor handelaren streng gecontroleerd. Vaak werden nieuwe vergunningen geweigerd en bestaande ingetrokken, mede om de distributie van schaarse goederen te beheersen. De achternaam Koelewijn is van oudsher sterk verbonden met de vishandel (met name uit Spakenburg). Veel vishandelaren uit Spakenburg trokken naar Amsterdam om daar hun nering te drijven.
In de context van 1941 kan een dergelijke afwijzing ook een meer sinistere achtergrond hebben: de bezetter voerde stelselmatig maatregelen in om Joodse ondernemers uit het economische leven te bannen (de Ariërisering). Hoewel de brief hier niet expliciet over spreekt, past de strikte uitsluiting op basis van "historische bewijslast" in het patroon van de toenemende bureaucratische controle en uitsluiting tijdens de oorlogsjaren. Het adres 1e Sweelinckstraat 20 I bevond zich in Amsterdam-Zuid, een wijk met destijds veel Joodse inwoners, al was de naam Koelewijn in de vishandel zeer algemeen. H. Koelewijn H. Koelewyn
Samenvatting
Deze korte, zakelijke brief is een officiële afwijzing van een verzoek dat in oktober 1941 door de heer H. Koelewijn was ingediend. De kern van de afwijzing is bureaucratisch van aard: een commissie heeft vastgesteld dat de aanvrager nooit in zoetwatervis heeft gehandeld.
De brief is waarschijnlijk een kopie voor het archief, wat blijkt uit de handgeschreven aantekening "Verzonden 25/11" bovenaan. Het taalgebruik is formeel en direct ("deel ik U mede", "geen gevolg worden gegeven"). Het feit dat een specifieke commissie van de "Visschery-Centrale" (Visserijcentrale) de zaak heeft onderzocht, wijst op een strikte regulering van de handel tijdens deze periode.
Historische Context
Het document dateert uit november 1941, ruim anderhalf jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de Nederlandse economie strak gereguleerd door de bezetter en de gelijkgeschakelde Nederlandse departementen. De "Visschery-Centrale" was een van de crisisinstellingen die toezagen op de productie, distributie en handel in levensmiddelen.
In deze periode werden vergunningen voor handelaren streng gecontroleerd. Vaak werden nieuwe vergunningen geweigerd en bestaande ingetrokken, mede om de distributie van schaarse goederen te beheersen. De achternaam Koelewijn is van oudsher sterk verbonden met de vishandel (met name uit Spakenburg). Veel vishandelaren uit Spakenburg trokken naar Amsterdam om daar hun nering te drijven.
In de context van 1941 kan een dergelijke afwijzing ook een meer sinistere achtergrond hebben: de bezetter voerde stelselmatig maatregelen in om Joodse ondernemers uit het economische leven te bannen (de Ariërisering). Hoewel de brief hier niet expliciet over spreekt, past de strikte uitsluiting op basis van "historische bewijslast" in het patroon van de toenemende bureaucratische controle en uitsluiting tijdens de oorlogsjaren. Het adres 1e Sweelinckstraat 20 I bevond zich in Amsterdam-Zuid, een wijk met destijds veel Joodse inwoners, al was de naam Koelewijn in de vishandel zeer algemeen.