Handgeschreven brief (verzoekschrift/bezwaarschrift).
Origineel
Handgeschreven brief (verzoekschrift/bezwaarschrift). 14 november 1941 (ontvangen/verwerkt op 18 november 1941). G. Koning, 1ste Jan Steenstraat 141 II hoog, Amsterdam. Amsterdam 14/11 41
Wel E Heer van Loen
Daar ik U brief heb ontvangen. En U mij zijde dat ik niet in aanmerking kwam voor zoet water vis. om dat ik niet voor kwam op de visscherij Centrale. Dat is de rede om dat ik de Heer Ham niet kan volgen met opslaan Dat heb Joop Helsloot altijd voor mij gedaan Ook ook bij de vorige afslag Huisman. Ik ben al ruim 20 jaar op deze vismarkt. en heb er altijd mijn brood verdient met alle soorten vis te venten. ik heb al jaren vis uit de Hal betrokken maar Joop Helsloot mijnt altijd voor mij wij kochte altijd samen de handel. Ik heb juist altijd gevent met Garnale snoekbaars of schol of brasem. enz. Dat weten ook de Markmeesters wel. wie mij Controleere. ik loop in 't rond. Ik hoop dat U Edel het nog eens voor mij wil herzien en onderzoeken. Daar het voor mij een bloed vraag is als U het goed vind wil Joop Helsloot U ook gaarne inlichtingen over mij geven. Dit is een nood brief voor mij heele leven. Hopende van U Edel een gunstig antwoord te mogen ontvangen Zoo noem ik mij
G. Koning 1ste Jan Steenstraat 141 II Z.
[Ambtelijke aantekeningen onderaan:]
18 November 1941
No 46A/84/2 M.
[Paars stempel:]
No 46A/84/3 M. 1941 17/11 In deze brief protesteert G. Koning tegen een besluit waardoor hij geen toewijzing meer krijgt voor de inkoop van zoetwatervis. De reden voor de afwijzing was dat zijn naam niet voorkwam in de registers van de Visserijcentrale.
Koning legt uit waarom hij administratief 'onzichtbaar' was: hij liet het feitelijke bieden (het "mijnen") bij de visafslag altijd over aan een compagnon, Joop Helsloot. De reden hiervoor was dat hij de veilingmeester (de heer Ham) niet kon bijhouden met het "opslaan" (het proces van prijsstijging of -daling bij de afslag). Hij benadrukt dat hij al twintig jaar een bekende verschijning is op de markt en dat de marktmeesters kunnen getuigen van zijn aanwezigheid en handel.
De toon van de brief is wanhopig. De termen "bloedvraag" (een kwestie van leven of dood) en "noodbrief voor mijn hele leven" onderstrepen dat zijn volledige bestaansrecht als visventer op het spel staat. Het document dateert uit november 1941, tijdens de Duitse bezetting van Nederland. In deze periode werd de distributie van voedsel, waaronder vis, steeds strenger gereguleerd door centrale instanties zoals de Visserijcentrale.
Om als handelaar goederen te mogen inkopen, moest men officieel geregistreerd staan. Voor kleine zelfstandigen of ambulante handelaren (venters) die al decennia op informele wijze of via tussenpersonen werkten, waren deze nieuwe bureaucratische regels vaak rampzalig. De Jan Steenstraat, waar de afzender woonde, ligt in de Amsterdamse wijk De Pijp, destijds een volkswijk waar veel marktkooplieden en kleine zelfstandigen woonden. De brief illustreert hoe de verstrakking van de distributieregels direct ingreep op de overlevingskansen van de Amsterdamse beroepsbevolking. G. Koning Marktwezen