Brief/Ambtelijke correspondentie
Origineel
Brief/Ambtelijke correspondentie 4 februari 1941 Onbekend (waarschijnlijk een ambtenaar van de afdeling D/HG) den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen, Alhier (ter plaatse) D/HG.
65/1/6 M.
n 3
4 Februari 1941.
Pakhuiscontracten van
den aardappelhandel.
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .
Onder terugzending van de met Uw kantbrief d.d. 28 Januari jl. om spoedig nader advies ontvangen stukken no. 107 I.M. 1941 heb ik de eer U te berichten, dat de cijfers, genoemd in den zich onder de stukken bevindenden brief van de Nederlandsche Inkoop Centrale van Akkerbouwproducten d.d. 24 Januari jl., niet volledig genoeg zijn om daaruit een definitief oordeel omtrent de financieele positie van de deelnemers in de aardappelcombinatie te vellen. Hiervoor zou trouwens mede een boekenonderzoek bij de plaatselijke afdeeling der V.B.N.A. omtrent de werkelijk gemaakte onkosten noodig zijn.
Ten aanzien van de onderhavige cijfers kan evenwel het volgende worden geconstateerd.
De lossingskosten ad 15 cent per 100 kg. blijven beneden de kosten, die in werkelijkheid moeten worden gemaakt. Deze bedragen namelijk te dezer stede 15 ct. per hl., welk bedrag nog moet worden vermeerderd met de sociale lasten en eventueele toeslagen voor extra werk. Hierdoor kunnen deze kosten op 25 cent per 100 kg. gesteld worden.
De kosten voor thuisbezorgen zijn met 18 cent per 100 kg. (12½ cent per hl.) niet te dekken. De expediteurs berekenen momenteel hiervoor 20 - 25 cent per hl. De kleinhandelaren, die zelf hun aardappelen afhalen (en dat is de meerderheid) ontvangen daarvoor van de V.B.N.A. thans een vergoeding van 25 cent per 100 kg.; zij stellen dan echter zelf de zakken beschikbaar. Het is mij bekend, dat door de kleinhandelaren (i.e. de plaatselijke afdeeling van "Centraal Belang") pogingen in het werk worden gesteld om hiervoor een hoogere vergoeding te krijgen.
De overige kosten kunnen dezerzijds moeilijk worden beoordeeld hoewel het zeer waarschijnlijk is, dat bijvoorbeeld de werkelijke opslagkosten niet met 6 cent per 100 kg. te dekken zijn; de "afdracht hoofdkantoor" ad 5 cent is vermoedelijk een vastgesteld bedrag als aandeel in de administratiekosten c.a. van het Hoofdkantoor der V.B.N.A. te Den Haag. Dit document is een ambtelijk advies aan de Wethouder voor de Levensmiddelen betreffende de tarieven en onkostenvergoedingen in de aardappelhandel. De kern van de brief is een kritische kanttekening bij de door de Nederlandsche Inkoop Centrale (NIC) verstrekte cijfers.
De schrijver stelt vast dat de voorgestelde tarieven voor het lossen, bezorgen en opslaan van aardappelen niet marktconform zijn:
1. Lossingskosten: De voorgestelde 15 cent per 100 kg wordt als te laag beoordeeld; 25 cent wordt realistischer geacht wanneer sociale lasten en extra werk worden meegerekend.
2. Thuisbezorging: Het voorgestelde tarief van 18 cent per 100 kg dekt de kosten niet, aangezien expediteurs meer rekenen en kleinhandelaren reeds een hogere vergoeding krijgen (zij het onder andere voorwaarden, zoals het zelf leveren van zakken).
3. V.B.N.A.: Er wordt verwezen naar de Vereniging van Beroepsbeoefenaren in de Nederlandsche Aardappelhandel, die blijkbaar een centrale rol speelt in de administratie en distributie.
De brief adviseert dat een diepgaander boekenonderzoek nodig is om de werkelijke financiële positie van de handelaren te bepalen. De brief dateert van 4 februari 1941, tijdens de Duitse bezetting van Nederland in de Tweede Wereldoorlog. In deze periode was de voedselvoorziening een kritieke overheidstaak. De distributie van basisbehoeften zoals aardappelen was strikt gereguleerd via een systeem van centrale inkooporganisaties (zoals de genoemde Nederlandsche Inkoop Centrale van Akkerbouwproducten) en distributiebonnen.
Onder het bewind van de bezetter en de Nederlandse secretarissen-generaal werd getracht de prijzen en winstmarges laag te houden om inflatie te voorkomen en de voedselvoorziening betaalbaar te houden voor de bevolking. Dit document illustreert de frictie tussen de centrale overheid (die lage tarieven vaststelde) en de praktijk van de handelaren en expediteurs, die te maken hadden met stijgende kosten en sociale lasten. De vermelding van "Centraal Belang" (een belangenorganisatie voor de middenstand/kleinhandel) toont aan dat er vanuit de sector druk werd uitgeoefend op het lokale bestuur voor betere condities.