Getypte brief of rapportage (pagina 2).
Origineel
Getypte brief of rapportage (pagina 2). 4 februari 1941. Bladz. 2 Brief No.65/1/6 M. d.d. 4 Februari 1941.
Alleen reeds de hoogere lossingskosten ad 25 cent per 100 kg. doen echter de "Reserve voor algemeene onkosten en winstderving" dalen van 24 cent tot 14 cent per 100 kg., of rond 10 cent per hl.
De omzet aan aardappelen bedroeg tot voor enkele weken gemiddeld 30.000 hl. per week. Sindsdien is dit kwantum verminderd tot ca. 28.000 hl.; door de V.B.N.A. en Centraal Belang is in onderling overleg een schaal vastgesteld, volgens welke aan den kleinhandel aardappelen worden verstrekt, waardoor deze niet meer ongelimiteerd aardappelen kunnen afnemen.
Aan de V.B.N.A. zou, uitgaande van bovengenoemd bedrag van 10 cent per hl. dus f 2800,- per week als reserve voor algemeene onkosten en winstderving worden uitgekeerd.
Het aantal personen (zelfstandig handeldrijvenden en deelgenooten in firma's), dat volgens een bepaald puntenstelsel uit de reserve voor algemeene onkosten en winstderving een uitkeering krijgt bedraagt 58. Daaronder zijn personen voor wie de groothandel in aardappelen te Amsterdam maar een deel van hun bedrijf vormt. Het aantal personen, dat voor 100% als grossier te beschouwen is, kan worden gesteld op rond 40. De uitkeering per hoofd blijft dus onder f 70,- per week waaruit moeten worden bestreden alle handelskosten als salarissen van administratief personeel en andere kosten van administratie, huren kantoren H. H. en O op de Centrale Markt, kadegelden, telefoon en diverse onkosten benevens eventueele tekorten op andere posten zooals opslag; ten slotte moet uit dit bedrag de kosten van levensonderhoud der grossiers komen.
De globale becijfering wekt den indruk, dat de in het schrijven van de Akkerbouwcentrale vermelde vergoedingscijfers wel krap berekend zijn en feitelijk onvoldoende rekening houden met de omstandigheid, dat de onkosten in Amsterdam hooger zijn dan in de andere, kleinere, steden.
Het is mij niet bekend, op welke wijze de Akkerbouwcentrale de thans geldende regeling der aardappelvoorziening financiert. Zooals U echter bekend is, streeft de Centrale ernaar, te voorkomen, dat de prijzen der aardappelen voor den consument zouden moeten worden verhoogd. Het staat vast, dat een eventueele prijsverhooging, welke niet minder dan op ½ cent per kg. zou moeten worden gesteld, voor de Amsterdamsche consumenten een meerdere uitgaaf van ± f 10.000,- per week zou beteekenen.
Wel is waar wordt door den Accountantsdienst momenteel een onderzoek ingesteld naar de juiste kosten van lossing, gebruik zakken, opslag en thuisbezorgen (dit onderzoek is reeds geruimen tijd aan den gang!), doch het is zeer de vraag, indien hiervoor hoogere bedragen beschikbaar zouden worden gesteld, in hoeverre deze aan de leden der V.B.N.A. ten goede zouden komen. Ik wijs in verband hiermede op hetgeen ik hierboven reeds memoreerde namelijk, dat de kleinhandel pogingen in het werk stelt, een hoogere vergoeding te verkrijgen onder meer in verband met zijn transportkosten. De tekst beschrijft een nijpende financiële situatie voor aardappelgrossiers in Amsterdam aan het begin van 1941. Door stijgende onkosten (zoals lossingskosten) en een dalende omzet (van 30.000 naar 28.000 hectoliter per week) komt de marge voor algemene onkosten en winst zwaar onder druk te staan.
Er wordt berekend dat een groep van 58 personen (waarvan 40 volledige grossiers) een wekelijkse uitkering moet delen van 2800 gulden. Dit resulteert in minder dan 70 gulden per persoon, waarvan niet alleen de bedrijfsvoering (personeel, huur op de Centrale Markt, administratie) maar ook het eigen levensonderhoud bekostigd moet worden. De schrijver betoogt dat de landelijke normen van de Akkerbouwcentrale geen rekening houden met de specifiek hogere kosten in de hoofdstad. Het document dateert van februari 1941, negen maanden na de Duitse inval. Nederland bevond zich in een overgangsfase naar een strak geleide distributie-economie. De aardappel was een cruciaal volksvoedsel; de overheid (via de Akkerbouwcentrale) probeerde de prijzen voor de consument laag te houden om sociale onrust te voorkomen.
De brief illustreert de frictie tussen de centrale regeringsmaatregelen en de lokale economische realiteit van de Amsterdamse handelaren, die gevangen zaten tussen vaste verkoopprijzen en stijgende operationele kosten. Tevens wordt gerefereerd aan de V.B.N.A., een branchevereniging die de belangen van de handel behartigde tegenover de bezettingsautoriteiten en de distributie-organen.