Officieel afschrift van een ambtelijke mededeling.
Origineel
Officieel afschrift van een ambtelijke mededeling. 25 maart 1941. No.65/1/7 M.1941 AFSCHRIFT.
No.127 L.M.1941
No.574/82.7 Fin.1941.
De Wethouder voor de Financiën heeft de eer te
doen toekomen aan den Heer Wethouder voor de Levens-
middelen-, Wasch- en Schoonmaak-, Bad- en Zweminrich-
tingen de stukken, betrekking hebbende op de contracten
der aardappelgrossiers, gevestigd op de Centrale Markt,
thans vergezeld van een rapport d.d. 21 Maart 1941 van
den Accountant Jac.Olie Jr., met de conclusie van welk
Rapport hij - Wethouder voor de Financiën - accoord
gaat.
Amsterdam, 25 Maart 1941.
De Wethouder,
w.g.Rustige. Dit document is een formele kennisgeving tussen twee Amsterdamse wethouders. De Wethouder voor de Financiën (Pieter Rustige) stuurt dossiers door naar zijn collega van de afdeling Levensmiddelen. Het betreft contracten met aardappelgrossiers die actief zijn op de Centrale Markt in Amsterdam.
Cruciaal in dit schrijven is de bijvoeging van een rapport van accountant Jac. Olie Jr., gedateerd op 21 maart 1941. De Wethouder voor de Financiën spreekt expliciet zijn akkoord uit met de conclusies van dit accountantsrapport. Dit wijst op een formele controle of herziening van de zakelijke afspraken met de aardappelhandelaren, waarbij financiële rechtmatigheid of doelmatigheid is getoetst. Het document dateert van maart 1941, bijna een jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland in de Tweede Wereldoorlog. De voedselvoorziening was in deze periode een kritiek en streng gereguleerd proces. De Centrale Markt in Amsterdam speelde een spilrol in de distributie van basisbehoeften zoals aardappelen.
De ondertekenaar "w.g. Rustige" verwijst naar Pieter Rustige, die destijds wethouder van Financiën was. De ambtelijke toon en de strikte dossiervorming laten zien dat de gemeentelijke bureaucratie, ondanks de bezetting, haar werkzaamheden volgens formele procedures voortzette. De betrokkenheid van een accountant bij contracten van aardappelgrossiers suggereert een verscherpt toezicht op de handel in essentiële levensmiddelen, mogelijk in het kader van de distributie- en prijsbeheersing die door de bezetter en het Nederlandse bestuur werd uitgevoerd.