Ambtelijke brief/memorandum met bijbehorende kanttekeningen.
Origineel
Ambtelijke brief/memorandum met bijbehorende kanttekeningen. 16 april 1941. [Links boven:]
Toelating
C. Dikstaal
als grossier
op de C. M.
[Rechts boven:]
A’dam, 16/4 1941
64/U/17 [in rood]
W. h. H.
In bijlage dezes heb ik de eer U een contract in duplo te doen geworden t. n. v. C. Dikstaal, betreffende huur van pakhuis-afdeeling No. A. 2 op de Centrale Markt.
Ik merk ten aanzien hiervan het volgende op. Daar de grossiersorganisaties zich ernstig [doorgehaald: tegen de toelating van Dikstaal als grossier] verzetten, heb ik deze aangelegenheid op 15 dezer mondeling met U mogen bespreken; U machtigde mij toen een contract, zooals thans in bijlage dezes wordt overgelegd, met Dikstaal af te sluiten. Voor de goede orde laat ik hieronder de motieven, die hebben geleid tot de toelating van Dikstaal, volgen.
In het jaar 1940 hebben zich bij de toelating als grossier van D. R. Lindeman eveneens moeilijkheden voorgedaan, waarbij de groothandel zich sterk verzette tegen toelating van dezen persoon als grossier op de Centrale Markt. Aanvankelijk werd bij Besluit van B. en W. dd. 28 Juni 1940 (no. 387 L.M. 1940) besloten tot niet-toelating van Lindeman, doch na mijn Rapport van 21 November 1940 n. 65/2/9 L. M. werd ik op 7 December 1940 door den toenmaligen Wethouder van de L. M. gemachtigd D. R. Lindeman als grossier tot de C. M. toe te laten. Deze beslissing heb ik destijds met eenige bestuurders van de groentengrossiersorganisatie (de heeren Dijkstra, Draaisma en Kramer) besproken en hun medegedeeld,
[In de linker marge, verticaal/schuin geschreven:]
Trouwens, nagelezen in mijn
I. h. deze bedoeld nadat na ter zake gepleegd overleg Dit document is een ambtelijke correspondentie over de toelating van een nieuwe grossier (C. Dikstaal) tot de Centrale Markt in Amsterdam. De kern van het schrijven is de rechtvaardiging van deze toelating, ondanks felle weerstand vanuit de bestaande grossiersorganisaties (het "kartel" van zittende handelaren).
De schrijver herinnert de geadresseerde aan een mondelinge afspraak van de vorige dag (15 april 1941) en gebruikt een precedent uit 1940 (de zaak-Lindeman) om aan te tonen dat verzet van de marktorganisaties eerder is gepasseerd door het stadsbestuur. In de zaak-Lindeman werd een aanvankelijke weigering door Burgemeester en Wethouders later teruggedraaid na een rapport en tussenkomst van de wethouder. De brief dient als dossieropbouw om aan te tonen dat de gevolgde procedure consistent is met eerder beleid. Het document dateert van april 1941, tijdens de Duitse bezetting van Nederland. Hoewel de brief een puur administratief-economisch karakter lijkt te hebben (marktordening), is de context van de bezettingstijd van belang. In deze periode stond de voedselvoorziening en de distributie op de Centrale Markt onder grote druk en onder verscherpt toezicht van zowel de Nederlandse autoriteiten als de bezetter.
Het feit dat de "grossiersorganisaties" (beheerst door de zittende handel) probeerden nieuwkomers te weren, was een bekend fenomeen in de Amsterdamse marktwereld om concurrentie te beperken. De referentie naar specifieke bestuurders (Dijkstra, Draaisma, Kramer) duidt op de directe lijn tussen het marktbureau en de top van de handelsbonden. De term "L.M." staat waarschijnlijk voor "Levensmiddelen" of "Landbouwmarkt", de gemeentelijke afdeling belast met het toezicht op de markthandel. C. Dikstaal H.