Ambtelijke brief / intern memorandum.
Origineel
Ambtelijke brief / intern memorandum. 27 februari 1941. Waarschijnlijk een beheerder of directeur van de Centrale Markt (ondertekend met "Th. Müller" rechtsboven). [Rechtsboven handgeschreven:] Th. Müller
[Stempel:] Paars rond stempel, onleesbaar
D/HG.
66/7/1 M.
27 Februari 1941.
In gebruik geving kantoren
in de Hal der Centrale Markt
aan de Politie.
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .
Aan het slot van mijn brief van 21 November 1939 No.96/12/5 M. deelde ik U mede, dat de Politie sedert eenige weken een drietal kantoren in de hal gebruikte voor opslag van uitrustingstukken, leslokaal e.a. voor een aantal manschappen, die dagelijks op de Centrale Markt oefenden. Ik stelde U voor hiervoor ƒ 15,- per lokaal per maand aan de Politie in rekening te brengen; Uw machtiging hiervoor heb ik echter tot nu toe niet ontvangen.
Het aantal lokaliteiten was inmiddels uitgebreid tot vier en thans verzoekt de Politie, haar nog vier kantoren in gebruik te geven.
De thans in gebruik gegeven vier kantoren liggen op de 3e verdieping van de hal en de Politie heeft verzocht om vier aangrenzende kantoren op deze verdieping toegewezen te krijgen; hieraan kan echter niet worden voldaan, omdat in de betreffende lokaliteiten op verzoek van den Directeur van den Centralen Dienst voor de Levensmiddelenvoorziening meubilair is opgeslagen, dat te zijner tijd bestemd is voor bewoners van Rotterdam, die in Mei 1940 zijn gevlucht. Op de derde verdieping is dan ook nog slechts één kantoor beschikbaar, dat aansluit bij de vier, welke de Politie thans in gebruik heeft. Het is echter mogelijk de Politie tijdelijk - tot bovengenoemde kantoren vrijkomen - te helpen met drie kantoren op de tweede verdieping der hal.
De Politie-autoriteiten, die, voordat men op de Centrale Markt kwam, lokalen hadden gehuurd in het Stadion, achten het logisch, dat voor de thans op de Centrale Markt in gebruik genomen kantoren een vergoeding wordt betaald. Met het in mijn bovenvermelden brief van 21 November 1939 genoemde bedrag van ƒ 15,- per maand per lokaal dus ƒ 120,- per maand kan men zich vereenigen. Deze brief betreft een logistiek en financieel vraagstuk binnen de gemeente Rotterdam tijdens de bezettingsjaren. De kernpunten zijn:
- Ruimtegebrek en Uitbreiding: De politie heeft behoefte aan meer ruimte in de Centrale Markthal (van 4 naar 8 kamers) voor training en opslag.
- Belangenverstrengeling: Er ontstaat een conflict over de ruimte op de 3e verdieping. Deze kamers worden momenteel gebruikt door de Centralen Dienst voor de Levensmiddelenvoorziening voor de opslag van meubilair van gevluchte Rotterdammers.
- Compromis: De schrijver stelt voor om de politie tijdelijk onder te brengen op de 2e verdieping in plaats van de gewenste 3e verdieping.
- Financiën: Er wordt een huurprijs van 15 gulden per lokaal per maand voorgesteld (totaal 120 gulden voor 8 lokalen), waarbij de schrijver opmerkt dat de politie hier zelf ook mee akkoord gaat, aangezien zij voorheen in het Stadion ook huur betaalden. Het document is gedateerd op 27 februari 1941, ruim negen maanden na het bombardement op Rotterdam (mei 1940). De referentie in de tekst naar "meubilair bestemd voor bewoners van Rotterdam, die in Mei 1940 zijn gevlucht" is historisch zeer relevant. Het duidt op de enorme ontheemding en de administratieve nasleep van de verwoesting van de binnenstad.
De "Centrale Markt" aan de Goudsesingel was in die tijd een cruciaal logistiek punt voor de voedselvoorziening van de stad. Dat de politie hier trainde en kantoor hield, getuigt van de centralisatie van overheidsdiensten in de schaarse overgebleven grote gebouwen. Het document weerspiegelt de bureaucratische realiteit van de bezettingstijd: ondanks de oorlogssituatie werd er nauwgezet gecorrespondeerd over huurprijzen en de toewijzing van individuele kantoorkamers.