Ambtelijke correspondentie / Brief
Origineel
Ambtelijke correspondentie / Brief 14 juni 1941 De Directeur (vermoedelijk van de Centrale Markt of de Marktdienst) Den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen te Amsterdam [Handgeschreven linksboven:] genoteerd [paraaf]
[Handgeschreven rechtsboven:] A. Suller(?) [stempel]
VB/HG.
66/14/2 M.
14 Juni 1941.
Kwijtschelding plaatsgeld
Centrale Markt aan gros-
sier W.de Groot.
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .
Hiermede heb ik de eer U te berichten, dat de grossier W. de Groot, Retiefstraat 71, alhier, die voor het kalenderjaar 1941 een plaats bezet in de hal op de Centrale Markt, mij heeft verzocht, gerekend te zijn ingegaan 1 Juni jl. van zijn verplichtingen te worden ontheven en het door hem terzake verschuldigde marktgeld, ten bedrage van ƒ 500,- gedeeltelijk kwijt te schelden.
De Groot is grossier in fruit, doch in verband met den geringen aanvoer kan hij zijn zaken niet langer voortzetten en ziet hij zich genoodzaakt om steun aan te vragen. De Groot bezoekt de Centrale Markt niet meer; inwilliging van zijn verzoek acht ik derhalve billijk. Indien hij voor de onderhavige plaats het tarief per kalendermaand had betaald, zou hij tot 1 Juni jl. een bedrag van 5 x ƒ 50,- = ƒ 250,- zijn schuldig geweest. Hem kan dus mijns inziens een bedrag van ƒ 500,- - ƒ 250,- = ƒ 250,- worden kwijtgescholden.
Ik geef U beleefd in overweging wel te willen bevorderen, dat daartoe door den Regeeringscommissaris voor Amsterdam, overeenkomstig het bepaalde in artikel 10 van de Verordening op de heffing van markt-, standplaats- en ventgelden, wordt besloten.
De Directeur, Dit document betreft een verzoek tot gedeeltelijke kwijtschelding van staangeld op de Amsterdamse Centrale Markt. De heer W. de Groot, een fruitgrossier gevestigd aan de Retiefstraat 71, kan zijn bedrijf niet langer voortzetten. De opgegeven reden is de "geringen aanvoer", wat een direct gevolg is van de oorlogsomstandigheden en de haperende distributieketen in 1941.
De berekening is als volgt: de jaarhuur voor de standplaats bedraagt ƒ 500,-. Omdat De Groot per 1 juni stopt, heeft hij 5 maanden gebruik gemaakt van de plek. Tegen een fictief maandtarief van ƒ 50,- komt dit neer op ƒ 250,-. De directeur stelt voor om de resterende ƒ 250,- kwijt te schelden, aangezien de ondernemer inmiddels aangewezen is op financiële steun.
Opvallend is de ambtelijke hiërarchie: de directeur adviseert de wethouder, maar de uiteindelijke beslissing moet vallen door de "Regeeringscommissaris voor Amsterdam". De datum, 14 juni 1941, plaatst dit document in het tweede jaar van de Duitse bezetting van Nederland. De schaarste aan goederen (zoals fruit) nam in deze periode snel toe door vorderingen van de bezetter en de blokkade van de handel.
Het noemen van de "Regeeringscommissaris voor Amsterdam" is historisch significant. In het voorjaar van 1941 (kort na de Februaristaking) ontsloeg de bezetter de gekozen gemeenteraad en de wethouders van Amsterdam. De stad kreeg een regeringscommissaris (Edward Voûte), die de bevoegdheden van de raad en het college overnam. Hoewel de brief nog aan de "Wethouder voor de Levensmiddelen" is gericht (vaak bleven de zittende wethouders nog even in een adviserende of uitvoerende rol als 'wethouder-ambtenaar' onder de commissaris), erkent de tekst dat de feitelijke macht bij de regeringscommissaris ligt.
De locatie van de grossier (Retiefstraat 71) ligt in de Transvaalbuurt, een wijk die destijds een zeer grote Joodse populatie kende. Veel Joodse marktkooplieden en grossiers werden in deze periode door anti-Joodse maatregelen en economische uitsluiting gedwongen hun nering te staken. Hoewel de brief spreekt van "geringen aanvoer", kan de achtergrond van de bedrijfsbeëindiging breder zijn geweest binnen de context van de Jodenvervolging in Amsterdam.