Ambtsbrief (doorslag/kopie) van de directeur van een Amsterdamse gemeentelijke dienst aan de Wethouder voor de Levensmiddelen.
Origineel
Ambtsbrief (doorslag/kopie) van de directeur van een Amsterdamse gemeentelijke dienst aan de Wethouder voor de Levensmiddelen. 15 december 1941. VD/HG. Verzonden 16/12
A. Müller [?]
66/26/2 M.
15 December 1941.
Kwijtschelding marktgeld
Centrale Markt ten name
van J. Brilleslijper. den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .
Hiermede heb ik de eer U te berichten, dat de gros-
sier J. Brilleslijper, Nieuwe Uilenburgerstraat 82, die voor
het kalenderjaar 1941 een plaats bezet in de hal op de Centrale
Markt ad $f$ 500,- per kalenderjaar, naar hij heeft medegedeeld,
op last van den Rijkscommissaris met ingang van 1 October 1941
zijn zaak heeft moeten liquideeren. Hij verzoekt thans hem met
ingang van dien datum kwijtschelding van het terzake verschui-
digde marktgeld te verleenen, omdat hij na 1 October jl. zijn
plaats niet meer heeft bezet. Mijnerzijds bestaat hiertegen,
gelet op een besluit van den Burgemeester d.d. 14 November jl.
No. 1049 K.M. 1941 naar aanleiding van een desbetreffend verzoek
van S. Kloots, geen bezwaar.
Ik geef U mitsdien beleefd in overweging wel te
willen bevorderen, dat bij besluit van den Burgemeester, inge-
volge het bepaalde in artikel 10 van de Verordening op de
heffing van markt-, standplaats en ventgelden, op gronden van
billijkheid aan J. Brilleslijper voornoemd kwijtschelding van
marktgeld wordt verleend van 1/4 van $f$ 500,- = $f$ 125,-.
======
De Directeur, In deze brief adviseert de directeur (vermoedelijk van de Centrale Markt of de Dienst voor het Marktwezen) de wethouder om in te stemmen met een gedeeltelijke kwijtschelding van marktgeld voor de groothandelaar J. Brilleslijper.
Brilleslijper had een vaste plek in de hal van de Centrale Markt waarvoor hij 500 gulden per jaar betaalde. Omdat hij zijn zaak per 1 oktober 1941 op last van de Rijkscommissaris moest liquideren, vraagt hij om kwijtschelding voor het laatste kwartaal ($f$ 125,-). De directeur steunt dit verzoek op basis van "billijkheid" en verwijst naar een eerder precedent (geval S. Kloots). De brief illustreert de bureaucratische afhandeling van de economische uitsluiting van Joodse ondernemers tijdens de bezetting. Dit document stamt uit de Tweede Wereldoorlog en vormt een direct bewijs van de 'arisering' en liquidatie van Joodse bedrijven in Nederland. De zinsnede "op last van den Rijkscommissaris [...] zijn zaak heeft moeten liquideeren" verwijst naar de anti-Joodse verordeningen (zoals Verordening 148/1941) die bedoeld waren om Joden uit het economische leven te verwijderen.
J. (Joseph) Brilleslijper woonde in de Nieuwe Uilenburgerstraat, een straat in de vanouds Joodse buurt van Amsterdam. Hoewel de brief een zakelijke, ambtelijke toon voert, maskeert dit de tragiek van een ondernemer die door de bezetter van zijn middelen van bestaan is beroofd. De gemeente Amsterdam bleef ondertussen strikt de regels volgen voor de inning van marktgelden, wat leidde tot dit soort formele verzoeken om kwijtschelding voor diensten die door dwang niet meer geleverd konden worden.