Officiële kennisgeving / disciplinaire brief.
Origineel
Officiële kennisgeving / disciplinaire brief. De Directeur (waarschijnlijk van de Centrale Markt te Amsterdam). Den Heer J.F. Sas, Ten Katestraat 12 I, Amsterdam-West (Wijk 12). Extra [handgeschreven]
HG.
den Heer J.F. Sas,
Ten Katestraat 12 I,
Amsterdam-West.
Wijk 12.
77/16/2 M. 16 Mei 1941.
In verband met het feit, dat U op 14 Mei jl. op de Central
Markt de orde in gevaar hebt gebracht, heb ik U, ingevolge het be-
paalde in artikel 35 lid 1 van het Reglement op de Centrale Markt,
den toegang tot die markt ontnomen voor den tijd van veertien dagen
namelijk van 17 tot en met 30 Mei a.s., terwijl ik aan den heer
Regeeringscommissaris voor Amsterdam de vraag ter beoordeeling heb
voorgelegd, of U voor langeren termijn behoort te worden uitgeslo-
ten.
De Directeur, Dit document is een officiële strafmaatregel opgelegd aan de heer J.F. Sas. De kernpunten zijn:
* Overtreding: Het in gevaar brengen van de orde op de Centrale Markt op 14 mei 1941. Wat de exacte aard van de verstoring was, wordt niet vermeld, maar in de context van 1941 kan dit variëren van zwarte handel tot politiek protest of een simpel handgemeen.
* Straf: Een tijdelijk marktverbod van veertien dagen (van 17 tot en met 30 mei 1941).
* Juridische grondslag: Artikel 35 lid 1 van het Reglement op de Centrale Markt.
* Escalatie: De zaak is voorgelegd aan de Regeringscommissaris voor Amsterdam om te bepalen of een uitsluiting voor langere termijn noodzakelijk is. Dit duidt erop dat de directie de overtreding als ernstig beschouwde. De brief is gedateerd op 16 mei 1941, een jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. De maatschappelijke spanningen waren in deze periode hoog, zeker in Amsterdam, waar enkele maanden eerder (februari 1941) de Februaristaking had plaatsgevonden.
De "Centrale Markt" (het huidige Food Center Amsterdam aan de Jan van Galenstraat) was een vitaal knooppunt voor de voedselvoorziening van de stad. Ordeverstoringen op dergelijke strategische plekken werden door de bezettingsautoriteiten en het collaborerende stadsbestuur zeer streng aangepakt. De genoemde "Regeeringscommissaris" was een functie die door de bezetter was ingesteld om toezicht te houden op het gemeentebestuur; in Amsterdam was dit Edward Voûte, die kort daarvoor was aangesteld als regeringscommissaris (en later burgemeester) na het ontslag van het zittende college. De betrokkenheid van dit hoge bestuursniveau bij een individueel marktverbod onderstreept de repressieve sfeer van die tijd. J.F. Sas