Politierapport / Inspectierapport van de Gemeente Amsterdam (Dienst van het Marktwezen).
Origineel
Politierapport / Inspectierapport van de Gemeente Amsterdam (Dienst van het Marktwezen). 20 september 1941 (betreft gebeurtenissen op 15 en 16 september 1941). R A P P O R T
Op Dinsdag 16 September 1941, werd mij, ondergetekende controleur, door door C. Bras, huurder van pakhuis D.15 medegedeeld, dat op 15 September 1941, van zijn vrachtauto welke tijdens de markt achter zijn pakhuis had gestaan 32 ledige zakken weggenomen waren. Voorts verklaarde Bras mij, dat ~~zij~~ zijn knecht op 15 September van twee hem van aanzien bekende jongens respectievelijk 13 en 19 ledige zakken in ontvangst had genomen en hen hiervoor het statiegeld ~~f 1.-~~ per zak had ~~uitbetaald~~. Bras verzocht mij een onderzoek in te stellen en hoorde ik den overkruier A. Bruines, die als ~~knecht~~ knecht werkzaam is bij Bras, welke Bruines bevestigde hetgeen mij door Bras was medegedeeld. Op aanwijzing van Bruines heb ik, rapporteur, op 16 September 1941 op het terrein van de Centrale Markt aangehouden twee mij onbekende jongemannen, die mij later desgevraagd opgaven respectievelijk te zijn genaamd: WILLEM LODUVICUS TOLSMA, geboren te Amsterdam 26 Mei 1923, knecht in dienst bij kooper Van der Winde, wonende Krommeniestraat 9 en: CORNELIS JOHANNES NIJLAND, geboren te Amsterdam 9 September 1922, zonder beroep, wonende Cabotstraat 7 alhier.
Tolsma verklaarde mij als volgt: Op Maandag 15 September 1941, omstreeks 8.45 uur v.m. bevond ik mij op het voorste gedeelte van pier D en werd aldaar aangesproken door Nijland, met wien ik vroeger gewerkt heb bij het dagblad "De Standaard" en vroeg Nijland mij, of ik voor mijn baas wel eens ledige kisten of zoo in moest inleveren bij Bras. Toen ik hem hierop bevestigend antwoordde, vroeg hij mij of ik voor hem 19 ledige zakken bij Bras wilde inleveren. Van het statiegeld (f 19) dat ik moest ontvangen, zou ik dan van Nijland f 3.- krijgen. Ik heb hierop aan zijn verzoek voldaan en de 19 zakken ~~bij~~ bij de knecht van Bras ingeleverd en van dezen f 19 ontvangen. Ik heb dit geld aan Nijland overgegeven van wien ik zooals was afgesproken f 3.- ontving. Op welke wijze Nijland aan deze zakken was gekomen weet ik niet, doch kon wel vermoeden, dat het niet geheel in orde was."
Hierna hoorde ik, rapporteur, Nijland, die mij als volgt verklaarde:
"Op Maandag 15 September, des morgens omstreeks 8 uur, is het mij gelukt ongemerkt op het terrein van de Centrale Markt te komen. Toen ik mij om 8.30 uur v.m. bevond op het voorste gedeelte van pier D, werd ik aldaar aangesproken door een mij van aanzien bekenden man, voor wien ik wel meer een vrachtje gedaan heb ~~gedaan~~. Deze man verzocht mij om voor hem bij Bras 13 ledige zakken in te leveren. Deze zakken had hij in één pak bij zich. Hij zou dan op de hiervoor aangeduide plaats op mij wachten. Nadat ik de 13 zakken had ingeleverd en het statiegeld dat ik hiervoor had ontvangen aan mijn onbekenden opdrachtgever had overgegeven, gaf hij mij weer een pak ledige zakken (thans 19 stuks) die eveneens bij Bras moesten worden ingeleverd. De man ~~zij~~ nu echter, dat ik dit door een andere jongen moest laten doen en indien iemand het zou doen voor zijn moeite drie gulden geven. Op pier D ontmoette ik Tolsma, die zich bereid verklaarde de 19 zakken bij Bras in te leveren. Nadat ik van hem de f 19 had ontvangen, heb ik hem f 3.- gegeven. Zooals ik U reeds gezegd heb ken ik de man die mij voor een en ander opdracht gaf wel van aanzien maar niet van naam. Ook zou ik U niet kunnen zeggen waar hij woont, noch op welke wijze hij handel drijft. Hoe hij aan de 32 zakken ~~xxx~~ gekomen was weet ik evenmin. Zooals ik thans van U verneem vermist Bras 32 ledige zakken, doch kan ik U verklaren, dat ik ze niet heb weggenomen. Ik heb voor mijn moeite in deze f 2.50 van den onbekenden man gekregen. Achteraf kan ik wel nagaan, dat een en ander niet in orde moet zijn geweest, maar op het oogenblik dat het geval zich voordeed heb ik hierbij niet ~~xxxx~~ gedacht. Ik ben al eenige tijd zonder werk en was graag bereid iets te verdienen."
Hoewel ik, rapporteur, Nijland tot en met Zaterdag 20 September 1941 in de gelegenheid heb gesteld de onbekende opdrachtgever te zoeken op de Centrale Markt en hem mij aan te wijzen, is hen dit toch blijkbaar ~~niet~~ niet gelukt. Waar door Bras aangifte is gedaan van dit geval. zal door mij tegen Nijland en Tolsma proces-verbaal worden opgemaakt terzake van diefstal c.q. medeplichtigheid aan diefstal van 32 ledige zakken. De toegangskaart voor de Centrale Markt van Tolsma gaat hierbij.
Amsterdam 20 September 1941
Controleur,
Den Heer Bedrijfschef
v/h Marktwezen.
(Handtekening onleesbaar)
(Handgeschreven notities onderaan)
Links: Tolsma (14 dge + 1 maand?) Nijland geen toegang tot m. gebied.
Rechts: p.v.b. art 310 e.v. wegen diefstal van Nijland. Medeplichtigheid diefstal van Tolsma.
Stempel/Rode inkt: 77/50/217, 22/9/41. * Taalgebruik: Het document is opgesteld in zakelijk, ambtelijk Nederlands van de jaren '40. Opvallend is het gebruik van de "den"-vorm ("den overkruier", "den onbekenden opdrachtgever") en de archaïsche spelling ("vrachtauto welke", "zooals", "v.m." voor voormiddag).
* Inhoudelijke kern: Twee jonge mannen worden beschuldigd van het verduisteren van 32 lege zakken. De zakken werden van een vrachtwagen gestolen en direct weer teruggestuurd naar de eigenaar (Bras) om het statiegeld (1 gulden per zak) op te strijken. Nijland voert een klassiek verweer: hij claimt dat hij in opdracht van een "onbekende man" handelde.
* Juridische context: Er wordt gesproken over "proces-verbaal" en "artikel 310" van het Wetboek van Strafrecht (diefstal). De strafmaat lijkt voor Nijland zwaarder (geen toegang tot het marktgebied) dan voor Tolsma, die mogelijk als een naïeve helper werd gezien.
* Tijdgeest: 1941 was het tweede jaar van de Duitse bezetting. Grondstoffen en verpakkingsmaterialen (zoals zakken) werden schaarser, wat de waarde van statiegeldartikelen verhoogde en criminaliteit hierin in de hand werkte. Dit document is een rapport van de Dienst van het Marktwezen in Amsterdam. De Centrale Markt (tegenwoordig het Food Center aan de Jan van Galenstraat) was het kloppend hart van de voedseldistributie. Toezicht werd gehouden door controleurs die to zagen op orde, veiligheid en eerlijke handel.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog was toezicht op de markt extra streng vanwege de schaarste en de zwarte handel. Het feit dat Nijland "ongemerkt" het terrein opkwam, duidt op het bestaan van een afgesloten terrein met toegangscontrole (zoals vermeld bij de ingenomen toegangskaart van Tolsma). Dergelijke documenten geven een uniek inkijkje in de dagelijkse kleine criminaliteit en de rechtshandhaving in bezet Amsterdam.