Proces-verbaal (getuigenverklaringen en onderzoeksverslag).
Origineel
Proces-verbaal (getuigenverklaringen en onderzoeksverslag). 22 november 1941. 3
2 2
Hierna hoorde ik, verbalisant, een mij bekend persoon die mij
later desgevraagd opgaf genaamd te zijn:
Peter Kerkwijk, oud 19 jaar, kruier en wonende Sloterweg 79-A
te Amsterdam-West, die mij nadat ik hem genoemden Petten had ge-
toond, als volgt verklaarde: „Petten is sedert eenigen tijd bij mij
als lossen knecht in dienst. Op Vrijdag 7 November 1941, omstreeks
1,45 uur n.m., bevond ik mij met mijn paard en wagen op het terrein
van de Centrale Markt aan de zoogenaamde aardappelenkant. Op mijn
wagen bevond zich een partij ledige kisten, welke ik naar de Cen-
trale Markt had overgebracht voor kooper H. Kluft van diens win-
kelaan den Haarlemmerstraat 114. Deze kisten moesten worden
neergezet aan de achterzijde van pakhuis D.3 op de Centrale
Markt. Aangezien ik evenwel ook aardappelen moest laden voor an-
dere kooplieden, ben ik aan de aardappelenzijde met mijn voertuig
in de rij gaan staan en heb aan van Petten opgedragen, om inmid-
dels de kisten van mijn wagen over te brengen naar de achterzijde
van pakhuis D.3, hetgeen hij ook heeft gedaan. Wat hij daar verder
heeft verricht weet ik niet. Ik had hem geen opdracht gegeven
om 30 kisten weg te nemen en deze in te leveren bij Barend van
Dijk op pier C van de Centrale Markt. Ook voordien heb ik hem nim-
nimmer kisten laten inleveren voor mij of iemand anders bij van
Dijk. Van het geval met de 30 kisten was mij dan ook niets bekend.”
Vervolgens hoorde ik, verbalisant, den mij bekenden kooper
Hendrik Kluft, oud 38 jaar, kleinhandelaar in groenten en fruit,
gevestigd Haarlemmerstraat 114 te Amsterdam-West en wonende
aldaar. Kluft verklaarde mij, dat de kruier Kerkwijk, op Vrijdag 7
November 1941, desnamiddags omstreeks 1.30 uur, voor hem een par-
tij ledige kisten moest inleveren overbrengen van zijn winkel aan
de Haarlemmerstraat naar Pakhuis D.3 van de Centrale Markt,
alwaar hij Kluft, ze op Zaterdag 8 November 1941 zou inleveren bij
den grossier Heemskerk, gevestigd in pakhuis D.3 van de Centrale
Markt. Kluft verklaarde mij, verbalisant, verder nog, dat hij Petten
wel meer met Kerkwijk had gezien, doch dat hij, Kluft met Petten
niets te maken had. Dat Petten dan ook 30 kisten zou hebben
ingeleverd om hem, Kluft, hiermede te bevoordeelen, beschouwde hij
als een verzinsel. Voorts verklaarde Kluft mij, verbalisant, nog,
dat het aantal kisten hetwelk hij aan Kerkwijk had medegegeven,
inderdaad ter bestemder plaatse was afgeleverd.”
Hierna heb ik, verbalisant, Petten vertoond aan aangever van der
Meij, en verklaarde laatstgenoemde mij, dat hij aan van Petten
geen toestemming had gegeven om de 30 kisten weg te nemen, of
daar op andere wijze over te beschikken. De 30 door mij inbeslag-
genomen kisten, werden door van der Meij herkend als soortgelijk
aan degenen welke door hem waren vermist. Van deze 30 kisten
heb ik er 29 aan van der Meij terug gegeven en één hiervan inbe-
slag gehouden. Deze zal door mij op wettige wijze worden gedepo-
neerd aan de Griffie van den Arrondissements-Rechtbank te Amster-
dam. Na voorloopig door mij te zijn gehoord, heb ik van Petten
heengezonden. Den besproken emballagebon heb ik bij dit proces-
verbaal gevoegd. En heb ik hiervan dit proces verbaal, op den door
mij afgelegden ambtseed, opgemaakt geteekend en gesloten te Amster-
dam 22 November 1941
De Ambtenaar bij het Marktwezen,
( J.P.N. Boon ) [Handtekening: J.P.N. Boon]
Gezien: de Commissaris, Dit document is een verslag van een opsporingsonderzoek naar aanleiding van een incident op de Centrale Markt in Amsterdam. De kern van de zaak is de onrechtmatige verplaatsing van 30 kisten (emballage) door een zekere 'Petten', die als losse knecht werkte voor kruier Peter Kerkwijk.
Uit de getuigenissen blijkt een discrepantie: Petten heeft 30 kisten afgeleverd bij een andere partij (Barend van Dijk) onder het voorwendsel dat dit in opdracht van zijn werkgever of voor koopman Kluft was. Beide ontkennen dit echter. De werkelijke eigenaar, Van der Meij, identificeert de kisten als zijn eigendom. Opvallend is de juridische afhandeling: 29 kisten worden direct teruggegeven aan de eigenaar, terwijl één kist als bewijsstuk ('overtuigingsstuk') wordt ingediend bij de rechtbank. De verdachte wordt na verhoor voorlopig heengezonden. Het document dateert uit november 1941, tijdens de Duitse bezetting van Nederland. De Centrale Markthallen aan de Jan van Galenstraat in Amsterdam vormden in die tijd het logistieke hart van de voedselvoorziening. Vanwege de schaarste die door de oorlog ontstond, waren niet alleen de levensmiddelen zelf, maar ook de verpakkingsmaterialen (zoals de houten kisten genoemd in dit document) zeer kostbaar en strikt gereguleerd.
Diefstal of verduistering van emballage kwam vaak voor, mede door de bloeiende zwarte handel. De "Ambtenaar bij het Marktwezen" fungeerde hier als een beëdigd opsporingsambtenaar die toezag op de orde en rechtmatigheid van de handel op het marktterrein. De vermelding van de "Arrondissements-Rechtbank te Amsterdam" duidt erop dat dergelijke vergrijpen serieus werden vervolgd via het reguliere strafrechtelijke circuit.