Handgeschreven ambtelijke notitie of concept-brief.
Origineel
Handgeschreven ambtelijke notitie of concept-brief. 17 april 1942 (gezien de datering onderaan); de tekst verwijst naar een eerdere brief van 31 maart van datzelfde jaar. Ter aanneming van de onderhavige aan-
vraag, welke betrekking heeft op den
zoon van een huurder, moge ik U
verwijzen naar ~~de principiële vraag~~
~~welke ik stelde in~~ mijn brief d.d.
31 Maart jl (no. 2B/14/12 17), waarin
ik de vraag stelde, of het onder de huidige
omstandigheden wenschelijk is om een
erkenning uit te reiken aan personen,
die zoo nauw aan het tuindersbedrijf
verbonden zijn.
S.D.
17/4/42 HG
[In rood potlood:] 2B/25/117 De tekst is een ambtelijk schrijven waarin wordt gereageerd op een specifieke aanvraag die betrekking heeft op de zoon van een huurder. De schrijver hanteert een voorzichtige, formele toon. In plaats van een besluit te nemen, wordt er teruggegrepen op een eerdere correspondentie waarin een "principiële vraag" is gesteld.
De kern van de kwestie is of het raadzaam is om in de toenmalige situatie officiële "erkenningen" te verlenen aan mensen die werkzaam zijn in de tuinbouwsector. De doorhalingen in de vierde en vijfde regel suggereren dat de schrijver zijn formulering tijdens het schrijven aanpaste om directer naar de bewuste brief te verwijzen. Het gebruik van woorden als "den", "wenschelijk" en "zoo" is typerend voor het Nederlands van voor de spellingshervorming van 1947. Het document is gedateerd op 17 april 1942, tijdens de Duitse bezetting van Nederland in de Tweede Wereldoorlog. De zinsnede "onder de huidige omstandigheden" is in ambtelijke stukken uit deze periode vrijwel altijd een verwijzing naar de beperkingen, regels of politieke sensitiviteiten die gepaard gingen met de bezetting.
De tuinbouwsector ("tuindersbedrijf") was van cruciaal belang voor de voedselvoorziening en stond onder scherp toezicht. De "erkenning" waarover gesproken wordt, zou te maken kunnen hebben met vakbekwaamheid of een officiële status die bepaalde rechten of vrijstellingen gaf. Gezien de datum zou de aarzeling van de ambtenaar te maken kunnen hebben met nieuwe verordeningen van de bezetter of de onzekerheid over de status van jonge mannen in de landbouw met het oog op de arbeidsinzet.