Getypte brief (doorslag), met handgeschreven kanttekeningen.
Origineel
Getypte brief (doorslag), met handgeschreven kanttekeningen. 16 mei 1942. Waarschijnlijk Dr. G.W.J. Sieburgh (gezien de handtekening/naam rechtsboven). [Links boven, getypt:]
2C/12/3 M.
[Midden boven, getypt:]
S/HG.
[Rechts boven, handgeschreven in donkerblauwe inkt:]
Mr. Sieburgh
[Midden boven, handgeschreven in blauw krijt/potlood:]
Verzonden 18/5
[Rechts midden, getypt:]
16 Mei 1942.
[Geadresseerde, getypt:]
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .
[Inhoud brief, getypt:]
Onder terugzending van het met Uw kantbrief d.d. 1 dezer onder No.363 L.M.1942 om advies ontvangen stuk heb ik de eer U het volgende te berichten.
Het is een misvatting van den Gemeentelijken Adviseur voor voedings- en distributieaangelegenheden, dat het bewuste denkbeeld zou ontleend zijn aan den maatregel tot het aanstellen van bewindvoerders in Joodsche ondernemingen. Deze laatsten hebben tot taak een reorganisatie, overdracht dan wel liquidatie van de zaak door te voeren waarin zij als "Treuhander" zijn aangesteld. De beheerder zoo als in mijn voorstel gedacht zal blijkens de toelichting optreden als curator zooals ingeval van faillissement. Zijn taak zal, dit ligt voor de hand, geen andere behoeven te zijn dan te contrôleeren dat het doel waarvoor hij wordt aangesteld, wordt bereikt, i.c. dat de maximumprijzen worden gehandhaafd. Een dergelijke taak kan door iederen contrôleur van den Centralen Crisis Contrôle Dienst worden verricht. Indien deze bijzondere contrôle betaald wordt door dengene, die ze noodig maakt, zooals door mij gedacht, kan er mijns inziens geen bezwaar zijn het corps contrôleurs van den Centralen Crisis Contrôle Dienst uit te breiden vooral omdat deze contrôleurs eventueel steeds in de algemeene contrôle zeer nuttig en noodig werk zullen kunnen doen zoolang ze niet als "beheerder" speciale en onafgebroken contrôle in een zaak uitoefenen. Intusschen moet mijns inziens aan het oordeel van den Secretaris-Generaal worden overgelaten, indien deze voor het denkbeeld zou voelen, op welke wijze hij de uitvoering zou willen doen plaats hebben.
Ik merk nog op, dat ik in mijn rapport te dezer zake mij heb voorgesteld dat het straffen van prijsovertreders meer zou moeten worden gezocht in het opleggen van zware boete's en dat slechts in uiterste noodzaak zou worden overgegaan tot sluiting van de zaak c.q. de in mijn voorstel in plaats daarvan gedachte aanstelling van een "beheerder". In deze brief reageert de opsteller (mogelijk Mr. Sieburgh) op een kritiekpunt van de Gemeentelijk Adviseur voor voedingsaangelegenheden. De kern van het geschil is de aard van een voorgestelde "beheerder" voor bedrijven die prijsregels overtreden.
De auteur benadrukt twee belangrijke punten:
1. Onderscheid met 'Treuhänder': De auteur distantieert zich nadrukkelijk van de vergelijking met bewindvoerders in Joodse ondernemingen (Treuhänder). Hij stelt dat zijn voorgestelde beheerder slechts een toezichthoudende rol heeft (vergelijkbaar met een curator bij faillissement) om prijsnaleving te garanderen, terwijl Treuhänder gericht zijn op onteigening en liquidatie ("Aryanisering").
2. Handhavingsstrategie: Er wordt gepleit voor de inzet van de Centrale Crisis Contrôle Dienst (CCCD). De kosten hiervan zouden moeten worden verhaald op de overtreder. Daarnaast spreekt de auteur een voorkeur uit voor zware boetes boven de meer ingrijpende maatregelen zoals bedrijfssluiting of de aanstelling van een beheerder. De brief dateert van mei 1942, midden in de Duitse bezetting van Nederland. Dit was een periode van toenemende schaarste, zwarte handel en strikte distributieregels. De overheid probeerde met harde hand prijsopdrijving tegen te gaan.
Tegelijkertijd was in 1942 de diefstal en liquidatie van Joods bezit door de bezetter in volle gang via het systeem van Treuhänders. Het feit dat de auteur zich hier expliciet van distantieert, getuigt van de gevoeligheid van dit onderwerp, zelfs binnen het ambtelijk apparaat onder bezetting. De vermelding van de "Secretaris-Generaal" duidt op de hoogste Nederlandse ambtenaren die onder Duits toezicht de departementen bestuurden. De brief biedt een inkijkje in de juridische en ethische afwegingen die binnen het lokale bestuur werden gemaakt bij het vormgeven van economische controlemaatregelen.