Ambtelijke brief/rapportage.
Origineel
Ambtelijke brief/rapportage. Augustus 1942 (verwijst naar een schrijven van 31 juli 1942). Onder terugzending van het met Uw kantbrief
dd 31 Juli j.l. om advies ontvangen stuk
No 531 Am 1942, heb ik de eer U het
navolgende te berichten.
De klacht dat de vervallen van vroegere
Joodsche zaken niet of slechts gedeeltelijk aan
de vroegere ~~kleinhandelaren~~ klanten der Joodsche
zaken leveren, is voor ons moeilijk na te
gaan, aangezien de kleinhandelaren ~~niet~~
een e ander niet kunnen bewijzen wegens
het ontbreken van facturen of van een
boekhouding.
Niettemin hebben wij reeds eerder soortgelijke
klachten met grossiers besproken zonder evenwel
tot blijvende resultaten te komen.
Uit bijgaand rapport van onzen controleur
blijkt, dat de in het schrijven genoemde
3 personen als vaste plaatshouders op de
Alb. C. markt hun handel inderdaad
betrekken van de door hen genoemde grossier
waarbij zij een normale toewijzing hebben.
~~Tenslotte~~ Voorts moge ik onder Uw aandacht brengen
dat wij de bevoegdheid missen grossiers
voor te schrijven op welke wijze zij hun
goederen onder de kleinhandelaren moeten
distribueeren. ~~Heb ik de eer U te adviseren,~~
~~de adressant in dezen geest te doen berichten~~ Het document is een ambtelijk schrijven uit de bezettingsperiode (1942). De schrijver rapporteert over een klacht met betrekking tot de distributieketen. Sinds de Duitse bezetter de "arisering" van de economie had ingezet, waren veel Joodse zaken gesloten of overgenomen ("vervallen van vroegere Joodsche zaken").
De kern van het probleem is dat grossiers (groothandels) weigeren of moeite hebben om te leveren aan de (niet-Joodse) kleinhandelaren die de klantenkring van de opgeheven Joodse zaken hebben overgenomen. De bewijslast hiervoor is echter lastig, omdat veel kleine markthandelaren geen sluitende boekhouding of facturen bezaten. De ambtenaar stelt vast dat de overheid (of de betreffende instantie) juridisch niet de macht heeft om grossiers te dwingen hun goederen op een specifieke manier te verdelen over de kleinhandelaren. Dit document biedt een inkijk in de economische ontwrichting in Amsterdam tijdens de Tweede Wereldoorlog. In 1942 was de uitsluiting van Joden uit het openbare en economische leven nagenoeg voltooid. Joodse marktkooplieden waren reeds in 1941 van de reguliere markten verbannen naar specifieke "Joodsche markten".
De verwijzing naar de Alb. C. markt (Albert Cuypmarkt) is significant; dit was en is de grootste markt van Amsterdam. De tekst illustreert de bureaucratische afhandeling van de "vrijgekomen" marktplaatsen en de distributieproblemen die ontstonden door het wegvallen van de Joodse handelspartners, die voorheen een cruciale rol speelden in de Amsterdamse (markt)economie. De doorhalingen onderaan de brief suggereren dat de schrijver twijfelde over de definitieve conclusie of het advies aan de hogere instantie.