Ambtsbrief / Dienstcorrespondentie.
Origineel
Ambtsbrief / Dienstcorrespondentie. 5 augustus 1942. De Directeur van de Centrale Markt (waarschijnlijk te Amsterdam). [Handgeschreven rechtsboven:] W. Rutgers (?)
[Getypt rechtsboven:] M/HB. [met een omcirkelde 'z']
[Handgeschreven midden boven:] Way (?)
den Heer Wethouder voor de Assurantie-
zaken en Wettelijke Aansprakelijkheid,
Raadhuis,
$\underline{A\ l\ h\ i\ e\ r}$
3/10/3 M. 1. 5 Augustus 1942.
Ten vervolge op mijn schrijven van 30 Juni j.l. No. 3/10/
/2 M., heb ik de eer U als bijlage een opgaaf te doen toekomen van
bezettingsschade, die het bedrijf van de Centrale Markt heeft gele-
den over de maand Juli 1942.
Ik verklaar hierbij, dat:
1e. de aangegeven schade niet door schuld of nalatigheid
van mijn bedrijf is vergroot;
2e. dat niet op andere wijze vergoeding van de aangegeven
schade verkregen had kunnen worden;
3e. dat de aangegeven schade niet op andere wijze is
goedgemaakt.
De Directeur,
[handtekening afgesneden] Dit document is een formele kennisgeving van de directeur van de "Centrale Markt" aan het gemeentebestuur betreffende schade die direct of indirect door de Duitse bezetting is veroorzaakt ("bezettingsschade").
De brief volgt een strikt ambtelijk protocol:
* Referentie: Er wordt verwezen naar een eerdere brief van 30 juni (No. 3/10/2 M.), wat duidt op een periodieke rapportage (maandelijks).
* Verklaring: De drie genummerde punten (1e t/m 3e) vormen een standaard juridische verklaring. De directeur bevestigt hiermee dat de schade niet aan eigen falen te wijten is en dat er geen andere verzekeringsgelden of compensaties zijn ontvangen. Dit was noodzakelijk om aanspraak te kunnen maken op gemeentelijke of landelijke schadevergoeding.
* Terminologie: Het gebruik van de term "bezettingsschade" is typerend voor administratieve processen tijdens de oorlogsjaren in Nederland. De brief dateert uit augustus 1942, midden in de Tweede Wereldoorlog. De Centrale Markt in Amsterdam (aan de Jan van Galenstraat) was een vitaal onderdeel van de voedselvoorziening. Tijdens de bezetting stond deze onder toezicht, maar bleven de gemeentelijke diensten functioneren voor de dagelijkse administratie.
Schade kon in deze periode vele vormen aannemen: van vorderingen van materieel of voorraden door de Wehrmacht tot indirecte schade door beperkende maatregelen of oorlogshandelingen. Het feit dat dit via de Wethouder voor Assurantiezaken loopt, wijst op de bureaucratische afhandeling van schadeclaims binnen het gemeentelijk apparaat onder de toenmalige omstandigheden. De "Wethouder voor de Assurantiezaken" was in die tijd een specifieke post die zich bezighield met de aansprakelijkheid van de stad voor haar eigen bezittingen en diensten.