Officiële brief/correspondentie van de Gemeente Amsterdam.
Origineel
Officiële brief/correspondentie van de Gemeente Amsterdam. 19 januari 1940. De Wethouder voor de Levensmiddelen, Wasch- en schoonmaak-, bad- en zweminrichtingen. De Permanente Commissie van Advies inzake Ventvergunningen. GEMEENTE AMSTERDAM
AMSTERDAM, 19 Januari 1940.
AFD. L.M.
No. 599 -1937-
BIJLAGEN
[Stempel in paars:]
Nº 18/7/11 M. 1940 22/1
[Tekst boven stempel:]
MEN WORDT VERZOCHT BIJ HET ANTWOORD NAUWKEURIG HET NUMMER EN DE AFDEELING VAN DIT SCHRIJVEN TE VERMELDEN.
[Handgeschreven rechtsboven:]
wl
zie C.v.A. 75e verg.
Hierbij deel ik U mede, dat de Commissie voor de Strafverordeningen voornemens is aan den Gemeenteraad de volgende wijziging van de Ventverordening voor te stellen met het doel de U bekende praktijken van ophalers van oud-papier, die geen opkopersvergunning bezitten – en waaromtrent van de zijde van Uw Commissie herhaaldelijk klachten zijn geuit – tegen te gaan. De Commissie acht een vergunningsstelsel voor ophalers van oud-papier niet mogelijk, doch zij is van oordeel, dat tegen de gemaakte handelingen der krantenophalers kan worden opgetreden, wanneer art.1 der Ventverordening wordt aangevuld met de bepaling, dat onder opkoopen worden begrepen alle handelingen, hoe ook genaamd, waarmee kennelijk hetzelfde wordt beoogd. Hierdoor zal worden bereikt, dat krantenophalers slechts dan, behalve oud-papier, straffeloos lompen e.d. om niet of tegen betaling mogen medenemen, indien zij in het bezit zijn van een krachtens de Ventverordening uitgegeven opkopersvergunning.
Gaarne verneem ik spoedig van U of de voorgestelde regeling U nog aanleiding tot opmerkingen van practischen aard geeft.
VM
u
De Wethouder voor de Levensmiddelen,
Wasch- en schoonmaak-, bad- en zweminrichtingen,
[Handtekening]
Aan
de Permanente Commissie van
Advies inzake Ventvergunningen.
[Linksonder:] Model G.A. 6 / 25.000-1-'39
[Rechtsonder, handgeschreven:] 18 Deze brief betreft een beleidswijziging aangaande de straathandel in Amsterdam aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog. De kern van het voorstel is het aanpakken van malafide krantenophalers die zonder vergunning opereren. De gemeente kiest hierbij niet voor een nieuw, specifiek vergunningsstelsel voor oud-papier, maar voor een juridische uitbreiding van het begrip "opkoopen" in de bestaande Ventverordening.
Door deze ruimere definitie worden informele ophalers (die vaak ook lompen en andere materialen meenamen) verplicht om een officiële opkopersvergunning te bezitten. Het document toont de ambtelijke weg: de Wethouder consulteert de Permanente Commissie van Advies voordat het voorstel naar de Gemeenteraad gaat. De handgeschreven notitie "zie C.v.A. 75e verg." wijst erop dat de brief besproken is tijdens de 75e vergadering van deze adviescommissie. De datum, 19 januari 1940, plaatst dit document in de periode van de "Mobilisatie" in Nederland, slechts enkele maanden voor de Duitse inval. In deze tijd was de handel in oud-papier en lompen een belangrijke bron van inkomsten voor de armere lagen van de bevolking, maar ook een sector die de gemeente wilde reguleren om overlast te beperken en belasting/leges te kunnen innen.
Het feit dat de Wethouder voor Levensmiddelen ook belast was met "Wasch- en schoonmaak-, bad- en zweminrichtingen" illustreert de toenmalige verdeling van portefeuilles, waarbij volksgezondheid, hygiëne en armoedebestrijding nauw verweven waren. De focus op het "straffeloos" kunnen meenemen van goederen wijst op de strikte handhaving van de openbare orde in die tijd. L.M. Gemeente Amsterdam