Notities van een bespreking (notulen).
Origineel
Notities van een bespreking (notulen). 9 maart 1942. [In de rechterbovenhoek handgeschreven:] VD/HG. [en een paraaf/cijfer]
N o t i t i e s van een bespreking op 9 Maart 1942 te 10 uur v.m. van den Directeur van het Marktwezen, den heer C.F. Sixma, de heeren ^SieIsenburg, Broerse en Van Duinhoven van het Marktwezen met de heeren F. van Meurs, Gemeentelijk Adviseur, Janssonius van den Dienst der Publieke Werken (Kleine Benzinecommissie), Brienen van de Rijksverkeersinspectie en Bax en Gillesen, ^[handgeschreven:] Gillesen? van de Nederlandsche Middenstandsbank.
O n d e r w e r p : financiering ombouw tuindersauto’s.
De Directeur deelt mede, dat de Regeering heeft toegestaan, dat voor de financiering van de ombouw van de tuindersauto’s wordt gebruikt het crediet B, dat is het bijzondere crediet voor den Middenstand. De heer Van Kampen van het Departement van Financiën heeft deze zaak opgedragen den Nederlandschen Middenstandbank; de vertegenwoordigers van deze bank willen contact hebben met de vertegenwoordigers van de autobezitters, zoodat deze vertegenwoordigers om 11 uur ter vergadering zullen verschijnen. Het wordt dan dus een bespreking tusschen de Middenstandsbank en de vertegenwoordigers van de tuinders.
De heer Bax zegt, dat het niet in de bedoeling ligt om de tuinders in een stichting te vereenigen, doch dat de bank individueel met de tuinders zal onderhandelen over de financiering.
De heer Broerse deelt mede, dat er 269 astuinders zijn. Hiervan voeren 230 tuinders hun producten per auto aan en de rest vervoert met paard en wagen. De 230 tuinders hebben thans 108 auto’s in gebruik. Deze zijn echter niet voor de volle 100% geladen; indien dit wel het geval zou zijn, zou men met het 86 auto’s kunnen doen. Men markt thans drie dagen gemiddeld per week over het geheele jaar. Wanneer men 6 dagen zou rijden zou men dus met 43 auto’s het vervoer kunnen doen plaatsvinden. De topproductie en dus het topvervoer is op bepaalde dagen natuurlijk veel grooter, doch dit mag voor het onderhavige plan geen basis zijn. Op die dagen moet de vervoersmogelijkheid worden aangevuld met benzine of door het vorderen van auto’s door de A.B.D. Indien de beste auto’s worden omgebouwd voor gebruik met geperst gas, dan kunnen de overblijvende in reserve blijven om op de drukste dagen te worden ingeschakeld voor het vervoer met benzine. De 269 astuinders verbouwen tezamen 489 ha. grond, waarvan 358 ha. gemengd bedrijf is en 134 ha. koude grond. De 213 tuinders, die per auto moeten vervoeren, zijn verdeeld in 11 buurtschappen. Aan het hoofd van zoo’n buurtschap staat een blokhoofd, die voor den geheelen duur den aanvoer regelt en de werkzaamheden die daarvoor noodig zijn. Broerse acht een aflossing in twee jaar een groot bezwaar voor de tuinders. Men moet niet vergeten, dat de aflossing moet geschieden uit de opbrengst van de vracht. Indien de producten niet aan maximumprijzen waren gebonden, zou dit wellicht mogelijk zijn, doch thans is de winstmarge beperkt en acht spreker het uitgesloten, dat de tuinders binnen twee jaar voor de aflossing kunnen zorgdragen. Spreker wijst op de prijs van spinazie bijvoorbeeld op dagen, dat er een zeer groote aanvoer is. Dan brengt een kist * Logistieke efficiëntie: Er wordt een scherpe rekenoefening gemaakt om het aantal voertuigen te minimaliseren (van 108 naar 43 bij maximale benutting), wat noodzakelijk was vanwege de oorlogsschaarste aan materialen en brandstof.
* Technische transitie: Vanwege het gebrek aan benzine moesten vrachtwagens worden omgebouwd naar alternatieve brandstoffen, in dit geval "geperst gas" (waarschijnlijk lichtgas of generatorgas).
* Financiële druk: De Nederlandse Middenstandsbank wordt ingezet via het "Crediet B". De discussie over de aflossingstermijn van twee jaar legt een pijnpunt bloot: door de Duitse prijsbeheersing (maximumprijzen) zijn de marges te klein om dergelijke investeringen snel terug te betalen.
* Organisatiestructuur: Er wordt gesproken over "blokhoofden" per buurtschap, wat kenmerkend is voor de strakke, bijna militaire organisatie van de voedselvoorziening en distributie tijdens de bezettingsjaren. Dit document stamt uit de periode van de Duitse bezetting van Nederland (1940-1945). In 1942 was de schaarste aan vloeibare brandstoffen (benzine) kritiek geworden omdat deze door de Wehrmacht werd opgeëist. De civiele sector werd gedwongen over te stappen op houtgasgeneratoren of flessengas (geperst gas). De "Kleine Benzinecommissie" en de "Rijksverkeersinspectie" hielden streng toezicht op wie nog mocht rijden. De genoemde "A.B.D." verwijst waarschijnlijk naar de Algemeene Bedrijfsgroep Detailhandel of een aanverwante distributie-instantie die bevoegd was voertuigen te vorderen voor algemeen nut. Het Marktwezen probeerde hier de belangen van de tuinders (cruciaal voor de voedselvoorziening van de steden) te behartigen tegenover de bank en de overheid.