Handgeschreven brief (verzoekschrift/bezwaarschrift).
Origineel
Handgeschreven brief (verzoekschrift/bezwaarschrift). 25 april 1942 (ontvangststempel 28/4). Nº 46A / 77 / 13 M. 1942 28/4
Amsterdam 25 April 1942
Mijnheer
Wanneer iemand een strafbaar feit heeft begaan wordt hem door de rechter nog regtsbijstand verleent om zich te verdedigen.
Ik ben zoo gelukkig niet geweest. Mij is op mijn verzoek een bot weg weigering gestuurd en, ofschoon een onderzoek heeft plaats gehad zoo ben ik daarin niet gehoord of gezien.
Ook is mij niet gemeld waarom mij een toewijzing is geweigerd, ofschoon ik het wel vermoed. Ik ben te lang buiten de markt gebleven, echter heeft dit zijn gegronde reden gehad. Mij is het ellendigste overkomen wat ooit een mensch kan overkomen, namelijk een vreeselijk aanval van Gewrichts Rheumatiek waardoor ik ruim anderhalf jaar bedleegerig ben geweest. Wat ik geleden heb weet alleen hij die dat mee heeft gemaakt en niet alleen lichamelijke ellende maar geestelijke ellende want je ligt en je bent tot niets in staat.
Nu ben ik gelukkig weer zoover door de goede zorgen van twee Docters nam: Docter Perijra en ook docter Scheide wien daar alle lof voor toekomt, van den Geneeskundige dienst dat ik mijn brood weer kan verdienen.
Nu weet U mijnheer de oorzaak van het weg blijven van de vischmarkt, dat kan u...
(Noot: De brief breekt onderaan de pagina af) In deze brief beklaagt de schrijver zich over het feit dat hem een vergunning of standplaats op de vismarkt is geweigerd zonder dat hij gehoord is. Hij trekt een vergelijking met het strafrecht: zelfs een misdadiger krijgt rechtsbijstand, maar hem is "botweg" een afwijzing gestuurd.
De kern van het betoog is een verontschuldiging voor zijn afwezigheid op de markt. De schrijver is anderhalf jaar bedlegerig geweest door ernstige gewrichtsreuma. Hij benadrukt zowel de fysieke als de mentale zwaarte van deze periode. Nu hij hersteld is verklaard door artsen van de Geneeskundige Dienst (Dr. Perijra en Dr. Scheide), wil hij zijn werk weer oppakken om in zijn eigen onderhoud te kunnen voorzien ("mijn brood weer kan verdienen"). Het document dateert uit april 1942, tijdens de Duitse bezetting van Nederland. In deze periode was de distributie van voedsel en de regulering van markten zeer strikt. Wie zijn plek op de markt niet innam, raakte deze snel kwijt aan anderen of de vergunning werd ingetrokken door de bezettingsautoriteiten of de gelijkschakelde gemeentelijke instanties.
Interessant is de vermelding van "Docter Perijra" (waarschijnlijk Pereira). Dit is een Sefardisch-Joodse naam. In april 1942 waren Joodse artsen al sterk beperkt in hun bevoegdheden en mochten zij in principe alleen nog Joodse patiënten behandelen. De vermelding dat hij verbonden was aan de "Geneeskundige dienst" suggereert een officiële toetsing van de arbeidsgeschiktheid van de briefschrijver. De brief weerspiegelt de wanhoop van een kleine zelfstandige die probeert te overleven in een bureaucratisch en vijandig systeem tijdens de oorlogsjaren.