Handgeschreven ambtelijk rapport/proces-verbaal (pagina III).
Origineel
Handgeschreven ambtelijk rapport/proces-verbaal (pagina III). 25 april 1942. III
Hartog Wijnschenk is Zondag 19 April 1942;
terwijl ook verklaarde het restant van Maandag 20-4-’42
aan S Locher te hebben overgedaan.
Daar beiden zijn ingeschreven voor de ontlading
van Zoetwatervis te Amsterdam, is door
beiden, Samuël Rood en Izak Locher,
voornoemd een overtreding begaan van
Art. 4 van het Concept-reglement voor de
aanvoering van visch in de Gemeentelijke Afslag
te Amsterdam.
x Beiden voeren nog aan niet te hebben geweten dat
het koopen van partijen in een dergelijk geval
niet toelaatbaar was, daar zij van mening waren
dat wanneer een kist aan het station was blijven
staan, men hem vrij te bedienen.
x Ook hebben zij er volgens hun bewering niet aan
gedacht een en ander aan den Heer Stam, opziener
der Gem. Vischafslag, te melden.
Hiervan hebben wij op ambtseed opgemaakt het
Ambtseedig rapport, gesloten en geteekend te
Amsterdam, den 25sten April 1942
De Controleur C. C. W. 33
[Handtekening: A. Thöenes]
x In de eerste verklaring schuilt het gevaar bij niet straffen van herhaling [[de flauwe bewering]] is volgens mij, 2e verbalisant een praatje achteraf. Dit document is een verslag van een economisch delict betreffende de vishandel in Amsterdam tijdens de Tweede Wereldoorlog. Drie handelaren (Wijnschenk, Rood en Locher) worden gerapporteerd voor het overtreden van de reglementen van de Gemeentelijke Visafslag. Zij hadden partijen vis direct bij het station verhandeld in plaats van via de verplichte veiling.
De verdachten voeren onwetendheid aan als verdediging, stellende dat zij meenden dat vis die op het station achterbleef "vrij te bedienen" was (vrij verhandelbaar). De rapporterende ambtenaar voegt onderaan een scherpe kanttekening toe: hij kwalificeert hun verdediging als een "praatje achteraf" en pleit voor bestraffing om herhaling te voorkomen. De zakelijke, bijna kille toon is kenmerkend voor de ambtelijke verslaglegging in die periode. Het document dateert van april 1942, een kritieke fase in de Duitse bezetting. De namen van de betrokkenen (Wijnschenk, Rood, Locher) wijzen erop dat het om Joodse handelaren gaat. In deze periode werden Joden stelselmatig uit het economische leven geweerd en werden overtredingen door Joodse burgers vaak extra zwaar bestraft.
De strikte controle op de visafslag was onderdeel van de oorlogseconomie, waarbij de bezetter en de gemeente Amsterdam een monopoly wilden behouden op de voedseldistributie en prijsvorming. "Zwarte handel" of het omzeilen van de officiële kanalen werd streng vervolgd. De Gemeentelijke Visafslag was destijds gevestigd aan de Prins Hendrikkade, nabij het Centraal Station, waar de vis per spoor arriveerde. Hartog Wijnschenk S. Locher Samuël Rood Izak Locher Heer Stam (opziener). Gemeente Amsterdam