Handgeschreven brief (verzoekschrift/correspondentie).
Origineel
Handgeschreven brief (verzoekschrift/correspondentie). 6 mei 1942. Een vishandelaar gevestigd aan de Weesperstraat 8, Amsterdam (naam onleesbaar/geparafeerd). $N^o 46^A/132/1/M. 1942. \frac{8}{5}$
Amsterdam 6 Mei 1942.
Uw schrijven van 28 April 1942 kwam in
mijn bezit, en kan tot mijn spijt op Maandag
11 Mei niet verschijnen.
Ik kan U namelijk geen boekhouding, rekeningen,
kwitantie's nota's voorleggen daar ik in deze
jaren in Amsterdam geen handel in deze
gevraagde vischsoorten heb gedreven.
Ik heb hier een Winkel in de Weesperstraat $N^o 8$.
maar deze zaak was in deze genoemde jaren
nog niet gevestigd.
Nu bestaat er wel behoefte voor rookvisch en
aanverwante vischsoorten maar ik ook al dit
jaar 1942 handel indrijf en mijn artikelen
ook op de Vischmarkt inkoop bij de Grossiers.
Ik verzoek U nu vriendelijk om mij toch voor
toewijzing te doen opnemen, daar hier in deze
straat met deze vischsoorten geen handel wordt
gedreven allen met uitzondering van een klein
Joodsch zaakje die haast niet in aanmerking komt.
Ik ben met de vischsoorten en behandeling
volkomen op de hoogte heb van jongen af tusschen
visch gewerkt en gevangen dus mijn beroep.
Ook ben ik Arisch en gehuwd en zoek in deze
handel mijn bestaan.
[Handtekening/Paraaf] In dit document reageert een vishandelaar uit de Amsterdamse Weesperstraat op een oproep van een instantie (mogelijk de Crisis Controle Dienst of een distributie-orgaan). De kernpunten zijn:
- Onvermogen tot bewijsvoering: De schrijver kan geen administratie overleggen van voorgaande jaren omdat zijn zaak aan de Weesperstraat 8 nog niet bestond.
- Verzoek om toewijzing: Hij verzoekt om te worden opgenomen voor een toewijzing (waarschijnlijk een vergunning of quotum voor bepaalde vissoorten zoals rookvis), omdat er in de buurt vraag naar is.
- Strategische argumentatie: De schrijver gebruikt de anti-Joodse maatregelen van de bezetter in zijn voordeel. Hij wijst erop dat de enige concurrentie in de straat een "klein Joodsch zaakje" is dat "haast niet in aanmerking komt".
- Statusverklaring: Aan het eind benadrukt de schrijver expliciet dat hij "Arisch" is. Dit was in 1942 een cruciaal argument om aanspraak te kunnen maken op bedrijfsvergunningen en bestaansrecht onder de Duitse bezetting. De brief is gedateerd op 6 mei 1942, een periode waarin de economische uitsluiting van Joden in Nederland in een vergevorderd stadium was. De Weesperstraat lag in het hart van de Jodenbuurt in Amsterdam. Door de Ariërverklaring en de 'Arisering' van het bedrijfsleven werden Joodse ondernemers stelselmatig uit de markt gedrukt.
Dit document is een treffend voorbeeld van hoe niet-Joodse ondernemers (vaak uit bittere noodzaak voor hun eigen broodwinning, maar soms ook uit opportunisme) de rassenideologie van de nazi's gebruikten in hun correspondentie met officiële instanties om hun eigen economische positie te veilig te stellen ten koste van hun Joodse buren. Slechts twee maanden na deze brief, in juli 1942, zouden de grootschalige deportaties vanuit de Jodenbuurt beginnen.