Handgeschreven brief (verzoekschrift).
Origineel
Handgeschreven brief (verzoekschrift). 29 mei 1942. W. v. Joolingen, handel drijvende onder de naam Firma Boeske en Co. Adam 29 Mei 1942
[onleesbare notitie]
Mijnheer
Zoud u zoo goed willen wezen om mij een
vergunning te willen geven, om mijn aal te laten
rooken, daar ik altijd gerookte aal verkocht
heb.
Zoo u eenige bewijzen wilt hebben kunt u die
bekomen bij. H. Damman. Binne Oranjestraat
te Adam, en J. Snoek. te Volendam.
Hier bij bij voorbaat mijn dank teeken ik
W. v Joolingen
Dan Stalpertstraat 31 II
Adam Z.
Handel drijvende onder de naam
Firma Boeske en Co.
№ 46A/244/M. 1942 30/5 [stempel] De schrijver, W. v. Joolingen, verzoekt om een officiële vergunning voor het laten roken van aal (paling). Hij voert als argument aan dat dit een vaste bedrijfsactiviteit van hem is ("daar ik altijd gerookte aal verkocht heb"). Om zijn verzoek kracht bij te zetten, verwijst hij naar twee getuigen of zakenrelaties: H. Damman in Amsterdam en J. Snoek in Volendam. De brief is geschreven in een beleefde, enigszins formele stijl die gebruikelijk was voor die tijd. De afkorting "Adam" voor Amsterdam werd vaker gebruikt in informele en zakelijke correspondentie. De brief dateert uit mei 1942, midden in de Duitse bezetting van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. In deze periode was de voedselvoorziening strikt gereguleerd en waren veel producten op de bon. Voor het verwerken van schaarse goederen, zoals vis, waren specifieke vergunningen nodig van de bezettingsautoriteiten of de door hen aangestelde Rijksbureaus voor Voedselvoorziening. Dit document is een direct bewijs van de bureaucratische hindernissen waar kleine handelaren mee te maken kregen om hun normale bedrijfsvoering voort te kunnen zetten onder het regime van schaarste en distributie. De verwijzing naar Volendam onderstreept de connectie met de visserijsector. H. Damman J. Snoek Z.
Samenvatting
De schrijver, W. v. Joolingen, verzoekt om een officiële vergunning voor het laten roken van aal (paling). Hij voert als argument aan dat dit een vaste bedrijfsactiviteit van hem is ("daar ik altijd gerookte aal verkocht heb"). Om zijn verzoek kracht bij te zetten, verwijst hij naar twee getuigen of zakenrelaties: H. Damman in Amsterdam en J. Snoek in Volendam. De brief is geschreven in een beleefde, enigszins formele stijl die gebruikelijk was voor die tijd. De afkorting "Adam" voor Amsterdam werd vaker gebruikt in informele en zakelijke correspondentie.
Historische Context
De brief dateert uit mei 1942, midden in de Duitse bezetting van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. In deze periode was de voedselvoorziening strikt gereguleerd en waren veel producten op de bon. Voor het verwerken van schaarse goederen, zoals vis, waren specifieke vergunningen nodig van de bezettingsautoriteiten of de door hen aangestelde Rijksbureaus voor Voedselvoorziening. Dit document is een direct bewijs van de bureaucratische hindernissen waar kleine handelaren mee te maken kregen om hun normale bedrijfsvoering voort te kunnen zetten onder het regime van schaarste en distributie. De verwijzing naar Volendam onderstreept de connectie met de visserijsector.