Brief / Bezwaarschrift.
Origineel
Brief / Bezwaarschrift. [1] zegelvergunning toen kregen de nieuwe
[2] vergunningen van f 3 per jaar deze
[3] vergunning is in Jan: 39 betaald met 1,40 achter-
[4] stallige schuld van de oude vergunning
[5] en ander gaat de markt maar of en vraag
[6] maar nader mij aan Tinus Gcoffes een
[7] lid van de Commissie van verdeeling ik
[8] ben langer in de vischhandel dan een
[9] van die klanten en wat de omzet belas-
[10] ting betreft deze is er voor versche visch
[11] nooit geweest voor de oorlog en wat
[12] gerookt en gestoomde visch betreft daar werd
[13] de omzetbelasting meest in de prijs verrekend
[14] Dat een slepende ziekt heb gehad is niet mijn
[15] schuld en is voor u geen reden mij in weer-
[16] wil van alle goede reden mij uit te schakelen
[17] Dat ik nu pas een erkenning heb gekregen
[18] terwijl ik met April op advies van den genees-
[19] kundige dienst heb aangevraagd wijl het niets
[20] doen niet goed voor mij is, dat dank ik ook
[21] aan het marktwezen. Ik heb heel van on-
[22] juistheden moeten ontzenuwen eer ik een
[23] erkenning had, u weet wel heel goed dat ze
[24] in den Haag ook niet over een nacht ijs gaan
[25] zie daar om wel nu het ook hoop nu dat ik
[26] van uw krijg wat mij als oude visventer eer-
[27] lijk toekomt met hoogachting
[28] Marinus Proost Utrechtsche dw: str: 88 2.
[Aantekening onderaan in een ander handschrift:]
in normale tijd had deze man volgens
Verd: Com: nooit meer in vischhandel Centrum
teruggekomen. Komt nu op
cadeautje af. Het document is een emotioneel maar zakelijk onderbouwd schrijven van Marinus Proost, een "oude visventer". Hij protesteert tegen het feit dat hij buiten de boot dreigt te vallen bij de toewijzing van vergunningen of marktplaatsen.
Belangrijke punten in zijn betoog:
1. Anciënniteit: Hij stelt dat hij al zeer lang in het vak zit, langer dan de huidige "klanten" (concullega's).
2. Fiscale rechtvaardiging: Hij weerlegt blijkbaar beschuldigingen over onbetaalde omzetbelasting door uit te leggen dat er voor de oorlog op verse vis geen belasting zat, en dat het bij verwerkte vis in de prijs zat verwerkt.
3. Gezondheid: Hij is ziek geweest ("slepende ziekt"), maar stelt dat dit geen reden mag zijn voor uitsluiting. Hij wil juist werken omdat stilzitten niet goed voor hem is.
4. Bureaucratie: Hij verwijst naar de trage besluitvorming in Den Haag ("niet over een nacht ijs gaan") en het feit dat hij veel "onjuistheden" heeft moeten weerleggen.
De toon is die van een man die vecht voor zijn bestaansrecht tegen een nieuwe, bureaucratische ordening van de handel. De brief moet geplaatst worden in de context van de naoorlogse wederopbouw en de herstructurering van de detailhandel in Nederland. Na de Tweede Wereldoorlog werd de handel streng gereguleerd via vergunningstelsels en distributiecommissies (de genoemde "Commissie van Verdeeling").
De handgeschreven notitie onderaan de brief werpt een schril licht op de houding van de autoriteiten tegenover de schrijver. De ambtenaar of commissielid die dit schreef, is uiterst sceptisch: hij insinueert dat Proost in normale tijden nooit zou zijn teruggekeerd naar de handel en dat hij nu enkel probeert te profiteren van een regeling of uitkering ("komt op cadeautje af"). Dit typeert de spanning tussen de kleine zelfstandige die zijn vak probeert te hervatten en de controlerende overheid die probeert de markt te saneren.