Getypte ambtelijke brief (doorslag).
Origineel
Getypte ambtelijke brief (doorslag). 16 februari 1942. De Directeur (vermoedelijk van de Dienst van het Marktwezen of een gerelateerde afdeling). [In de rechterbovenhoek, handgeschreven in blauw krijt/potlood:]
In vullen (?)
[In de rechterbovenhoek, gestempeld:]
VB/HG.
[Adresblok:]
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .
[Onderwerp en datum:]
85/4/2 M. 16 Februari 1942.
Intrekking vergunning tot het plaatsen
van kramen ten name van L.M. Geerling.
[Inhoud:]
Hiermede heb ik de eer U te berichten, dat L.M. Geerling, wonende Amsterdanscheweg 80, Amstelveen, wien bij beschikking van Burgemeester en Wethouders d.d. 29 November 1938 onder No.811 L.M.1938 vergunning is verleend tot het op een anderen dan voor de markt bestemden tijd opzetten van kramen op de markt Albert Cuypstraat, mij mededeeling heeft gedaan, dat hij zijn zaak heeft overgedaan aan W.C. Markus, Govert Flinckstraat 206, alhier, die eveneens in het bezit is van een vergunning tot het zetten van kramen op de markt Albert Cuypstraat (Besluit Burgemeester en Wethouders d.d. 29 November 1938 No.811 L.M.1938).
Tegen de onderhavige overdracht bestaat dezerzijds geen bezwaar; beleefd geef ik U in overweging wel te willen bevorderen, dat door den Burgemeester van Amsterdam de vergunning ten name van L.M. Geerling wordt ingetrokken.
De Directeur,
[Linksonder, vage handgeschreven krabbels:]
Sch (...)
29/11 (...) Dit document is een ambtelijke correspondentie betreffende het beheer van de openbare marktruimte in Amsterdam. De kern van de brief is een verzoek aan de Wethouder voor de Levensmiddelen om een specifieke marktvergunning formeel in te trekken.
De vergunninghouder, L.M. Geerling uit Amstelveen, had een bijzondere ontheffing (sinds 1938) om buiten de reguliere markttijden kramen op te zetten in de Albert Cuypstraat. Omdat Geerling zijn zaak heeft overgedaan aan W.C. Markus (die zelf al een vergelijkbare vergunning bezit), is de persoonlijke vergunning van Geerling overbodig geworden. De brief illustreert de nauwkeurige administratieve afhandeling van standplaatsrechten en de overdracht van neringdoenden op de Amsterdamse markten. De datum van het document, 16 februari 1942, plaatst deze handeling midden in de periode van de Duitse bezetting van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hoewel de inhoud van de brief op het eerste gezicht een routineuze administratieve kwestie lijkt, is de context van die tijd van groot belang:
- Bestuur onder bezetting: De Wethouder voor de Levensmiddelen was in 1942 een cruciale functie vanwege de toenemende schaarste en de invoering van het distributiestelsel. In deze periode waren veel wethoudersposten inmiddels ingenomen door NSB-leden of stonden zij onder strikt toezicht van de bezetter.
- Marktwezen: De Albert Cuypmarkt was (en is) een van de belangrijkste markten van de stad. Tijdens de bezetting werden markten streng gecontroleerd. Joodse marktkooplieden waren tegen deze tijd al grotendeels van de openbare markten verdreven door anti-joodse maatregelen.
- Administratieve continuïteit: Het document toont aan dat de gemeentelijke bureaucratie voor alledaagse zaken zoals marktvergunningen bleef doorfunctioneren volgens de bestaande regels en procedures van voor de oorlog (er wordt expliciet verwezen naar besluiten uit 1938).