Archief 745
Inventaris 745-392
Pagina 331
Dossier 29
Jaar 1942
Stadsarchief

Dienstbrief / Administratieve correspondentie.

10 februari 1943. Van: De Directeur van het Marktwezen (J.G. van Heumen).

Origineel

Dienstbrief / Administratieve correspondentie. 10 februari 1943. De Directeur van het Marktwezen (J.G. van Heumen). Marktwezen Amsterdam
Jan van Galenstraat 14 (West)

Telefoon 85151
VB/HB.

Aan: Herrn A. Gombault,
Wirtschaftsreferent Büro Beauftragte
für die Stadt Amsterdam,
Museumplein 19,
Amsterdam-Zuid. Wijk 24.

Verzoeke bij beantwoording datum en
nummer van dezen brief te vermelden

No.: 85/21/7 M.
Bijlagen:
Datum: 10. Februar 1943.

Onderwerp: Marktstandvermieter M. Krammer.

Unter Bezug meines Schreibens vom 8. Dezember 1942 und Ihres Schreibens vom 14. Dezember 1942, teile ich Ihnen mit, dasz die Beziehung der arischen Marktstandvermieter mit M. Krammer im Dezember 1942 völlig abgebrochen worden ist. Krammer hat nämlich von der Omnia die Ankündigung erhalten, dasz er liquidieren müsse; die Arier fürchteten daher, dasz Ihr Besitz bei der Liquidation beteiligt sein würde.

Darauf erhielten die arischen Marktstandvermieter vom Bürgermeister die Genehmigung ihre Buden auf den jüdischen Märkten aufzustellen, abzubrechen und die Mieten einzuziehen und dazu die jüdischen Märkte zu betreten Morgens vor 9 Uhr und Nachmittags nach 5 Uhr, ~~also vor und nach Marktzeit, wenn es~~ [handgeschreven toevoeging onleesbaar/doorgehaald]

~~Jetzt bitten die Arier die Judenmärkte den ganzen Tag hindurch betreten zu dürfen, da die ihnen vom Bürgermeister bewilligte Frist nicht ausreicht.~~ [Gehele alinea met rode potloodstreek doorgehaald]

Ich bitte um Ihre Stellungnahme in dieser Angelegenheit.

Der Direktor,
[Handtekening: J.G. van Heumen]

[Handgeschreven aantekeningen onderaan in zwart en rood]:
th. Lieburgh l.b.
da es keine Juden auf den Märkten gibt. Ich meine, dass Sie mit dieser Regelung einverstanden sind.

--- Dit document is een direct bewijs van de 'arisering' van de Amsterdamse economie tijdens de bezetting. De kernpunten zijn:

  1. De uitschakeling van joodse ondernemers: M. Krammer, een joodse verhuurder van marktkramen, wordt door de Omnia-Treuhandgesellschaft geliquideerd. De Omnia was de Duitse instantie die belast was met het overnemen en liquideren van joodse bedrijven.
  2. Angst van 'arische' zakenpartners: De 'arische' (niet-joodse) zakenpartners verbreken de banden met Krammer zodra de liquidatie wordt aangekondigd. Zij doen dit uit vrees dat hun eigen bezittingen (zoals de kramen zelf) in het liquidatieproces van het joodse bedrijf terechtkomen en geconfisqueerd worden.
  3. Segregatie op de markt: Er wordt gesproken over 'joodse markten' (Judenmärkte). In 1941 werden joden in Amsterdam gedwongen hun handel te drijven op specifieke, afgezonderde markten (o.a. op het Waterlooplein en de Gaaspstraat).
  4. Bureautische strijd om toegang: Er bestaat een conflict over wanneer niet-joodse verhuurders deze markten mogen betreden. De burgemeester stond toegang toe vóór 9:00 en na 17:00 (buiten de markttijden om), maar de verhuurders wilden de hele dag toegang. De doorhaling in de tekst en de handgeschreven notitie onderaan suggereren dat dit verzoek werd afgewezen of achterhaald was omdat er op dat moment (februari 1943) nauwelijks nog joden op de markten aanwezig waren vanwege de deportaties.

--- In februari 1943 bevond de vervolging van de joden in Amsterdam zich in een vergevorderd stadium. De meeste joodse bedrijven waren reeds onder beheer gesteld van een Verwalter of geliquideerd. De joodse markten, die in 1941 met veel ophef waren ingesteld om joden uit het openbare leven te weren, verloren hun functie naarmate de deportaties naar kamp Westerbork en de vernietigingskampen in Polen toenamen.

De geadresseerde, A. Gombault, werkte direct onder de Duitse Beauftragte (gevolmachtigde) voor Amsterdam, Hans Böhmcker (en later Schröder). Dit bureau hield streng toezicht op het Amsterdamse gemeentebestuur en zorgde ervoor dat de anti-joodse maatregelen strikt werden uitgevoerd. De brief toont aan hoe de afdeling Marktwezen van de gemeente Amsterdam fungeerde als een rader in de machine van de uitsluiting en onteigening.

Samenvatting

Dit document is een direct bewijs van de 'arisering' van de Amsterdamse economie tijdens de bezetting. De kernpunten zijn:

  1. De uitschakeling van joodse ondernemers: M. Krammer, een joodse verhuurder van marktkramen, wordt door de Omnia-Treuhandgesellschaft geliquideerd. De Omnia was de Duitse instantie die belast was met het overnemen en liquideren van joodse bedrijven.
  2. Angst van 'arische' zakenpartners: De 'arische' (niet-joodse) zakenpartners verbreken de banden met Krammer zodra de liquidatie wordt aangekondigd. Zij doen dit uit vrees dat hun eigen bezittingen (zoals de kramen zelf) in het liquidatieproces van het joodse bedrijf terechtkomen en geconfisqueerd worden.
  3. Segregatie op de markt: Er wordt gesproken over 'joodse markten' (Judenmärkte). In 1941 werden joden in Amsterdam gedwongen hun handel te drijven op specifieke, afgezonderde markten (o.a. op het Waterlooplein en de Gaaspstraat).
  4. Bureautische strijd om toegang: Er bestaat een conflict over wanneer niet-joodse verhuurders deze markten mogen betreden. De burgemeester stond toegang toe vóór 9:00 en na 17:00 (buiten de markttijden om), maar de verhuurders wilden de hele dag toegang. De doorhaling in de tekst en de handgeschreven notitie onderaan suggereren dat dit verzoek werd afgewezen of achterhaald was omdat er op dat moment (februari 1943) nauwelijks nog joden op de markten aanwezig waren vanwege de deportaties.

Historische Context

In februari 1943 bevond de vervolging van de joden in Amsterdam zich in een vergevorderd stadium. De meeste joodse bedrijven waren reeds onder beheer gesteld van een Verwalter of geliquideerd. De joodse markten, die in 1941 met veel ophef waren ingesteld om joden uit het openbare leven te weren, verloren hun functie naarmate de deportaties naar kamp Westerbork en de vernietigingskampen in Polen toenamen.

De geadresseerde, A. Gombault, werkte direct onder de Duitse Beauftragte (gevolmachtigde) voor Amsterdam, Hans Böhmcker (en later Schröder). Dit bureau hield streng toezicht op het Amsterdamse gemeentebestuur en zorgde ervoor dat de anti-joodse maatregelen strikt werden uitgevoerd. De brief toont aan hoe de afdeling Marktwezen van de gemeente Amsterdam fungeerde als een rader in de machine van de uitsluiting en onteigening.

Kooplieden in dit dossier 1

M. Soep Uilenburg

Gerelateerde Documenten 6