Archief 745
Inventaris 745-392
Pagina 525
Dossier 92
Jaar 1942
Stadsarchief

Ambtelijk concept-verslag of brief (met doorstrepingen en correcties).

Vermoedelijk begin 1936 (verwijst naar een rapport van 28 december jl. en een vereniging opgericht in 1935).

Origineel

Ambtelijk concept-verslag of brief (met doorstrepingen en correcties). Vermoedelijk begin 1936 (verwijst naar een rapport van 28 december jl. en een vereniging opgericht in 1935). (Opmerking: Doorgehaalde tekst is weergegeven met een streep erdoor, invoegingen boven de regel zijn tussen [ ] geplaatst.)

[Marge:]
2). F, gegrond van door hem ingewonnen juridische adviezen

[Hoofdtekst:]
het Gemeentebestuur - In de eerste plaats
betwijfelt hij of de Gemeente wel ~~geheel~~ bevoegd
is om wanbetalers [den toegang tot] de Centrale Markt te
weigeren en in de tweede plaats voert hij, als zijn
voornaamste ~~motief~~ aan, dat hij ~~geen~~ een
dergelijke weigering van wanbetalers ~~door~~ de
Gemeente, sociaal alleen verantwoord acht,
wanneer de Gemeente tevens een financierings-
instituut in het leven roept, dat kleinhandelaren,
die in moeilijkheden verkeeren en wanbetalers dreigen
te worden, van de noodige geldmiddelen voorziet.

Mijn ~~persoonlijke~~ meening, omtrent de ~~vraag of...~~
vraag of de Gemeente al dan niet bevoegd is tot
optreden tegen wanbetalers, berichtte ik U laatstelijk
in mijn rapport d.d. 28 December jl. (No 87/3/11, M),
waar ik U, in overeenstemming met den heer Mr. Rietema
en Mevr. Mr. Redeker van Uw afdeeling, bepaalde
voorstellen dienaangaande deed. Ik meen dus, dat
het juridische bezwaar van den heer Seegers niet
gegrond moet worden geacht, terwijl het door hem
aangevoerde sociale motief m.i. ~~niet principieel is te~~
~~achten, nu~~ inhoudt, dat hij eigenlijk in principe
wel voor het weren van wanbetalers zou voelen,
indien slechts aan zekere voorwaarden ~~te~~
(de instelling van een financierings-instituut) werd
voldaan, welke voorwaarden echter ~~in geen~~
rechtstreeksch verband met de onderhavige
aangelegenheid hebben en daarom ook bezwaarlijk
verder kunnen worden besproken.

De in overleg met de bovenbedoelde
commissie ontworpen regeling ~~waarmede dus ook~~
de heer Seegers accoord gaat, behalve voor zoo ver
de wering van wanbetalers van de Centrale Markt betreft, -
komt neer op het volgende:
De op de Centrale Markt gevestigde grossiers
vereenigen zich in een organisatie tot behartiging
van hun financiële belangen, als hoedanig, met
~~wijziging der statuten op enkele dit betreffen-~~
~~de de~~ punten, de in 1935 opgerichte, doch
nog niet gewerkt hebbende Vereeniging "Pecunia" kan
dienen. De ~~georganiseerde~~ leveranciers van de... De tekst betreft een ambtelijke discussie over het reguleren van de Centrale Markt (waarschijnlijk de Centrale Markthallen in Amsterdam, gelet op de terminologie en namen). De kern van het conflict is of de gemeente het recht heeft om handelaren die hun rekeningen niet betalen (wanbetalers) de toegang tot de markt te ontzeggen.

Een zeker personage, de heer Seegers, voert twee bezwaren aan:
1. Juridisch: Hij betwijfelt de wettelijke bevoegdheid van de gemeente.
2. Sociaal: Hij vindt het weren van wanbetalers alleen ethisch verantwoord als de gemeente tegelijkertijd een noodfonds of financieringsinstituut opricht om kleine handelaren in financiële nood te steunen.

De schrijver van het document verwerpt deze bezwaren. Hij verwijst naar juridisch advies van collega's (Rietema en Redeker) om aan te tonen dat de gemeente wel degelijk bevoegd is. Het sociale argument van Seegers wordt afgedaan als een secundaire kwestie die niet direct relevant is voor de huidige regeling. Als oplossing voor de belangenbehartiging van de grossiers wordt voorgesteld om de reeds bestaande, maar slapende vereniging "Pecunia" te activeren. Dit document stamt uit een periode (midden jaren '30) waarin de economische crisis nog diepe sporen naliet in de handel. De Centrale Markthallen waren het hart van de voedseldistributie. De discussie weerspiegelt de spanning tussen strikt zakelijk marktbeheer (het weren van slechte betalers) en de sociale zorgplicht van de overheid voor de 'kleine man' (de kleinhandelaren).

De genoemde namen (zoals Mr. Rietema en Mevr. Mr. Redeker) wijzen op de juridische afdeling van de gemeente Amsterdam. Mevrouw Mr. Redeker was een van de vroege vrouwelijke juristen in hoge gemeentelijke dienst, wat het document ook historisch interessant maakt voor de geschiedenis van de Amsterdamse ambtenarij. De vereniging "Pecunia" (Latijn voor 'geld') was blijkbaar een formeel vehikel dat klaarlag om gebruikt te worden voor kredietbewaking of onderlinge bijstand onder grossiers.

Samenvatting

De tekst betreft een ambtelijke discussie over het reguleren van de Centrale Markt (waarschijnlijk de Centrale Markthallen in Amsterdam, gelet op de terminologie en namen). De kern van het conflict is of de gemeente het recht heeft om handelaren die hun rekeningen niet betalen (wanbetalers) de toegang tot de markt te ontzeggen.

Een zeker personage, de heer Seegers, voert twee bezwaren aan:
1. Juridisch: Hij betwijfelt de wettelijke bevoegdheid van de gemeente.
2. Sociaal: Hij vindt het weren van wanbetalers alleen ethisch verantwoord als de gemeente tegelijkertijd een noodfonds of financieringsinstituut opricht om kleine handelaren in financiële nood te steunen.

De schrijver van het document verwerpt deze bezwaren. Hij verwijst naar juridisch advies van collega's (Rietema en Redeker) om aan te tonen dat de gemeente wel degelijk bevoegd is. Het sociale argument van Seegers wordt afgedaan als een secundaire kwestie die niet direct relevant is voor de huidige regeling. Als oplossing voor de belangenbehartiging van de grossiers wordt voorgesteld om de reeds bestaande, maar slapende vereniging "Pecunia" te activeren.

Historische Context

Dit document stamt uit een periode (midden jaren '30) waarin de economische crisis nog diepe sporen naliet in de handel. De Centrale Markthallen waren het hart van de voedseldistributie. De discussie weerspiegelt de spanning tussen strikt zakelijk marktbeheer (het weren van slechte betalers) en de sociale zorgplicht van de overheid voor de 'kleine man' (de kleinhandelaren).

De genoemde namen (zoals Mr. Rietema en Mevr. Mr. Redeker) wijzen op de juridische afdeling van de gemeente Amsterdam. Mevrouw Mr. Redeker was een van de vroege vrouwelijke juristen in hoge gemeentelijke dienst, wat het document ook historisch interessant maakt voor de geschiedenis van de Amsterdamse ambtenarij. De vereniging "Pecunia" (Latijn voor 'geld') was blijkbaar een formeel vehikel dat klaarlag om gebruikt te worden voor kredietbewaking of onderlinge bijstand onder grossiers.

Kooplieden in dit dossier 1

M. Soep Uilenburg

Gerelateerde Documenten 6