Handgeschreven brief (verzoekschrift).
Origineel
Handgeschreven brief (verzoekschrift). 7 juli 1942. S. Korper, Emsstraat 9 II, Amsterdam. Amsterdam 7/7 1942
No 103/59/1 M. 1942 8/7
Mijnheer
Daar ik in Liquidati ben en natuurlijk niet weet wat ik met mijn goederen moet doen, vraag ik u beleefd om uitstel aan mij te verlenen, om mijn vaste standplaats № 111 Gaaspstraat in te nemen. Ik zal zoolang mijn marktgeld voldoen tot ik van Hogere hand iets verneem. Ik hoop een gunstig antwoord van u te mogen ontvangen. Blijf ik u bij voorbaat dankzeggend.
Hoogachtend
S. Korper
Emsstraat 9 II
alhier In deze korte maar beladen brief verzoekt S. Korper de Amsterdamse marktautoriteiten om uitstel voor het innemen van zijn vaste standplaats aan de Gaaspstraat (nummer 111). De afzender geeft als reden op dat hij "in Liquidati" (liquidatie) is. Dit is een directe verwijzing naar de gedwongen stopzetting en onteigening van Joodse bedrijven door de Duitse bezetter tijdens de Tweede Wereldoorlog.
De schrijver verkeert in grote onzekerheid over zijn bezittingen ("niet weet wat ik met mijn goederen moet doen") en wacht op instructies van "Hogere hand" (de bezettingsautoriteiten, waarschijnlijk de Omnia-Treuhandgesellschaft). Om zijn recht op de standplaats niet te verliezen, biedt hij aan het "marktgeld" (de staangeldvergoeding) te blijven doorbetalen, ook al kan hij de plek momenteel niet benutten. De brief getuigt van een wanhopige poging om binnen de bureaucratische kaders van de bezetting nog enige grip te houden op zijn bestaansmiddelen. De datum van de brief, 7 juli 1942, is historisch zeer significant. Dit was de maand waarin de grootschalige deportaties van Joden uit Nederland naar de vernietigingskampen in het oosten begonnen. De Rivierenbuurt (waar de Emsstraat en de Gaaspstraat liggen) was een buurt waar in die tijd zeer veel Joodse Amsterdammers woonden.
De Gaaspstraat was de locatie van een bekende markt in de Rivierenbuurt. De term "liquidatie" duidt erop dat Korper als Joodse ondernemer was getroffen door de verordeningen die Joden verboden om nog langer zelfstandig een bedrijf of markthandel te drijven. Uit archieven (zoals het Joods Monument) blijkt dat Salomon Korper op het genoemde adres woonde. Deze brief vormt een tastbaar bewijs van de administratieve wurggreep waarin Joodse burgers vlak voor hun deportatie werden gehouden. S. Korper Omnia
Samenvatting
In deze korte maar beladen brief verzoekt S. Korper de Amsterdamse marktautoriteiten om uitstel voor het innemen van zijn vaste standplaats aan de Gaaspstraat (nummer 111). De afzender geeft als reden op dat hij "in Liquidati" (liquidatie) is. Dit is een directe verwijzing naar de gedwongen stopzetting en onteigening van Joodse bedrijven door de Duitse bezetter tijdens de Tweede Wereldoorlog.
De schrijver verkeert in grote onzekerheid over zijn bezittingen ("niet weet wat ik met mijn goederen moet doen") en wacht op instructies van "Hogere hand" (de bezettingsautoriteiten, waarschijnlijk de Omnia-Treuhandgesellschaft). Om zijn recht op de standplaats niet te verliezen, biedt hij aan het "marktgeld" (de staangeldvergoeding) te blijven doorbetalen, ook al kan hij de plek momenteel niet benutten. De brief getuigt van een wanhopige poging om binnen de bureaucratische kaders van de bezetting nog enige grip te houden op zijn bestaansmiddelen.
Historische Context
De datum van de brief, 7 juli 1942, is historisch zeer significant. Dit was de maand waarin de grootschalige deportaties van Joden uit Nederland naar de vernietigingskampen in het oosten begonnen. De Rivierenbuurt (waar de Emsstraat en de Gaaspstraat liggen) was een buurt waar in die tijd zeer veel Joodse Amsterdammers woonden.
De Gaaspstraat was de locatie van een bekende markt in de Rivierenbuurt. De term "liquidatie" duidt erop dat Korper als Joodse ondernemer was getroffen door de verordeningen die Joden verboden om nog langer zelfstandig een bedrijf of markthandel te drijven. Uit archieven (zoals het Joods Monument) blijkt dat Salomon Korper op het genoemde adres woonde. Deze brief vormt een tastbaar bewijs van de administratieve wurggreep waarin Joodse burgers vlak voor hun deportatie werden gehouden.