Archiefdocument
Origineel
17 juni 1942 Mevr. S. Cauveren-Klapping, Retiefstraat 59 hs, Amsterdam. Vermoedelijk de Gemeente Amsterdam, afdeling Marktwezen (gezien de aantekening "H. v. Markten"). [Stempel linksboven:]
Nº /03/66/ M. 1942 ^10/7
[Rechtsboven:]
783.
[Rechtsboven, onder nummer:]
Adam 17 Juni 1942
[Groet en tekst:]
Mijnheer
Naar aanleiding van U l.l. schrijven, waarin U
schrijft dat de vaste plaats door het niet geregeld
bezetten daarvan is komen te vervallen, bericht ik
U dat mijn man S. Cauveren Retiefstraat 59 hs
in een werkkamp is geplaatst.
[Ondertekening rechts:]
Hoog Achtend
Mevr: S. Cauveren - Klapping
Retiefstraat 59 hs Adm
[Administratieve aantekeningen, diverse handen:]
[Midden links, doorgehaald met paraaf:] [...]
[Daaronder:] plaats inget. per 13/7 '42.
[Schuin geschreven in zwarte inkt:] niet intrekken 22-7-'42 [Paraaf: de Boer?]
[Onderaan midden:] genoteerd H. v. Markten ter kennisneming [Paraaf] 23/7 '42
[Rode aantekeningen en stempels onderaan:]
[Links in rood potlood:] Vrijgesteld(?) 7/7-42
[Stempel/inkt:] Mic 103/56 — M 42
[Inkt onder stempel:] cym [Paraaf]
[Rechts onderaan in potlood:] opbergen 7/8 '42
[Rechtsonder:] 103 Dit document is een aangrijpend voorbeeld van de bureaucratische afhandeling van de Jodenvervolging in Amsterdam tijdens de Tweede Wereldoorlog. Mevrouw Cauveren-Klapping reageert op een bericht dat de "vaste plaats" (waarschijnlijk een marktstalling of standplaats voor straathandel) van haar man is ingetrokken omdat deze niet meer wordt bezet. De reden die zij opgeeft is dat haar man, Samuel Cauveren, is weggevoerd naar een "werkkamp".
In de kantlijn is de ambtelijke molen zichtbaar:
1. Aanvankelijk wordt de plaats op 13 juli 1942 daadwerkelijk ingetrokken.
2. Op 22 juli volgt de instructie "niet intrekken", wat suggereert dat de reden (het werkkamp) aanvankelijk werd geaccepteerd als overmacht.
3. Het document wordt uiteindelijk op 7 augustus 1942 gearchiveerd ("opbergen").
De adresvermelding Retiefstraat 59 huis is saillant; dit was een straat in de Transvaalbuurt, een wijk met een zeer hoge Joodse populatie die zwaar getroffen werd door de deportaties. De brief is geschreven in juni 1942, exact de periode waarin de grootschalige tewerkstelling van Joodse mannen in Nederlandse werkkampen (de zogenaamde Joodse Rijkswerkkampen) werd geïntensiveerd als voorstadium van deportatie naar het Oosten.
Historisch onderzoek (bron: Joods Monument) bevestigt het tragische lot van het echtpaar. Samuel Cauveren (geboren 1907) werd inderdaad vanuit een werkkamp gedeporteerd en is op 30 september 1942 in Auschwitz vermoord. De afzender van deze brief, Sophia Cauveren-Klapping (geboren 1910), is op diezelfde dag eveneens in Auschwitz vermoord. Deze brief is een van de laatste tastbare bewijzen van hun poging om hun dagelijks bestaan en middelen van bestaan in Amsterdam te behouden, terwijl de destructieve realiteit van de Holocaust hen al had ingehaald.