Handgeschreven verzoekschrift (brief).
Origineel
Handgeschreven verzoekschrift (brief). 3 augustus 1942. H. Roozelaar, Hemonystraat 51-II, Amsterdam. De Inspecteur van het Marktwezen te Amsterdam. Nº 103/82/1 M. 1942 6/8
Amsterdam 3 Aug. 1942
Den weled. Heer Inspecteur
van het Marktwezen te Amsterdam.
Weled. Heer.
Heden ontving ik het bericht dat ik mij morgen 4 Aug. naar een Rijkswerkkamp moet begeven. Tijdens mijn verblijf aldaar zal mijn vrouw op mijn vaste standplaats op de markt, welke ik al sinds 1920 inneem, trachten in haar onderhoud te voorzien.
De moeilijkheid doet zich nu echter voor dat mijn vrouw totaal doof is en een zeer zwakke gezondheid heeft, zoodat zij onmogelijk alleen op de markt kan gaan staan.
Ik verzoek U dan ook beleefd te willen toestaan dat mijn schoonzoon, Léon van der Kar, woonende Ruijschstraat 10 III te Amsterdam, geboren 31 Mei 1908 te Antwerpen, nationaliteit Nederlander, haar als assistent mag terzijde staan en eventueel vervangen.
Ik vertrouw dat U de redelijkheid van dit verzoek zult inzien en dit zult willen toestaan.
Ik dank U dan ook reeds bij voorbaat voor Uw welwillende medewerking en verblijf inmiddels, in afwachting van Uw gunstig bericht, met de meeste hoogachting
H. Roozelaar
Hemonystraat 51 II
A'dam. Deze brief is een indringend historisch document dat de bureaucratische realiteit van de Jodenvervolging in Nederland tastbaar maakt. De schrijver, Hartog Roozelaar, heeft op de dag van schrijven de oproep gekregen om zich de volgende dag te melden voor een "Rijkswerkkamp".
De kern van de brief is een zakelijk, maar wanhopig verzoek om de continuïteit van het gezinsinkomen te waarborgen. Roozelaar bezit al sinds 1920 een vaste marktplaats. Omdat zijn vrouw doof is en een zwakke gezondheid heeft, kan zij de kraam niet alleen bemannen. Hij vraagt daarom officiële toestemming voor zijn schoonzoon om haar bij te staan. De formele, beleefde toon van de brief contrasteert scherp met de gewelddadige ontworteling die op dat moment plaatsvindt. De brief dateert van begin augustus 1942, de periode waarin de grootschalige deportaties van Joodse mannen naar de werkkampen in Nederland in volle gang waren. Deze kampen dienden vaak als voorstadium voor deportatie naar kamp Westerbork en uiteindelijk de vernietigingskampen in het oosten.
Uit archiefonderzoek (o.a. Joods Monument) is bekend dat Hartog Roozelaar inderdaad kort na deze brief is weggevoerd. Hij is op 30 september 1942 in Auschwitz vermoord. Zijn schoonzoon, Léon van der Kar, die in de brief wordt genoemd, wist de oorlog te overleven. Het document illustreert de vergeefse hoop van velen dat men door het formeel regelen van zaken nog enige controle over het lot van de achterblijvers kon behouden. H. Roozelaar Marktwezen
Samenvatting
Deze brief is een indringend historisch document dat de bureaucratische realiteit van de Jodenvervolging in Nederland tastbaar maakt. De schrijver, Hartog Roozelaar, heeft op de dag van schrijven de oproep gekregen om zich de volgende dag te melden voor een "Rijkswerkkamp".
De kern van de brief is een zakelijk, maar wanhopig verzoek om de continuïteit van het gezinsinkomen te waarborgen. Roozelaar bezit al sinds 1920 een vaste marktplaats. Omdat zijn vrouw doof is en een zwakke gezondheid heeft, kan zij de kraam niet alleen bemannen. Hij vraagt daarom officiële toestemming voor zijn schoonzoon om haar bij te staan. De formele, beleefde toon van de brief contrasteert scherp met de gewelddadige ontworteling die op dat moment plaatsvindt.
Historische Context
De brief dateert van begin augustus 1942, de periode waarin de grootschalige deportaties van Joodse mannen naar de werkkampen in Nederland in volle gang waren. Deze kampen dienden vaak als voorstadium voor deportatie naar kamp Westerbork en uiteindelijk de vernietigingskampen in het oosten.
Uit archiefonderzoek (o.a. Joods Monument) is bekend dat Hartog Roozelaar inderdaad kort na deze brief is weggevoerd. Hij is op 30 september 1942 in Auschwitz vermoord. Zijn schoonzoon, Léon van der Kar, die in de brief wordt genoemd, wist de oorlog te overleven. Het document illustreert de vergeefse hoop van velen dat men door het formeel regelen van zaken nog enige controle over het lot van de achterblijvers kon behouden.