Brief / Verzoekschrift
Origineel
Brief / Verzoekschrift 17 september 1942 B. Wijnhenke (vermoedelijk) Amster. 17 Sept ’42
Geachte WelEd. Heer
Zoals u bekend is ver-
toeft mijn man momenteel
in ’t kamp, en daar ik op mijn
vorig schrijven als antwoord
kreeg dat de betaling voor
een standplaats op de
markt in de Gaaspstraat
doorgang moet vinden,
zou ik Ued. beleefd willen
vragen of er mogelijkheid
bestaat om van uwerzijde
stappen te ondernemen
om mijn man uit ’t kamp
te krijgen, dan zou hij mis-
schien wel kans krijgen
om wat te verdienen en
zijn standplaats kunnen
innemen.
Bij voorbaat mijn
Welgemeende dank
Achtend
B. Wijnhenke
Dinsdag De schrijfster van deze brief verzoekt een onbekende autoriteit (geadresseerd als "WelEdelachtbare Heer") om bemiddeling bij de vrijlating van haar echtgenoot. De man verblijft op dat moment in "het kamp" (waarschijnlijk doelt zij op Kamp Westerbork of een werkkamp).
De aanleiding voor dit verzoek is van economische aard: de vrouw heeft bericht ontvangen dat de betaling voor de marktstandplaats van haar man in de Gaaspstraat gewoon moet worden voldaan. Zij voert aan dat als haar man zou worden vrijgelaten, hij weer kan gaan werken, geld kan verdienen en zo aan zijn financiële verplichtingen kan voldoen. De toon is uiterst beleefd en formeel, wat typerend is voor dergelijke smeekbeden aan instanties in die tijd. Het document dateert uit september 1942, een kritieke fase tijdens de Duitse bezetting van Nederland. De locatie van de markt, de Gaaspstraat in Amsterdam-Zuid (de Rivierenbuurt), is historisch zeer relevant. Vanaf november 1941 stelde de bezetter specifieke "Joodse markten" in; de markt in de Gaaspstraat was een van de locaties waar uitsluitend Joodse kooplieden mochten staan en waar alleen Joods publiek mocht komen.
Het feit dat de echtgenoot in een kamp verblijft en een standplaats had op deze specifieke markt, wijst er met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid op dat het hier gaat om een Joods gezin dat getroffen is door de deportaties of de tewerkstelling in de kampen. Dergelijke brieven werden vaak geschreven in een laatste, wanhopige poging om een familielid vrij te krijgen door te wijzen op het economisch nut van de persoon in kwestie. In de praktijk leverden deze verzoeken echter zelden het gewenste resultaat op. B. Wijnhenke
Samenvatting
De schrijfster van deze brief verzoekt een onbekende autoriteit (geadresseerd als "WelEdelachtbare Heer") om bemiddeling bij de vrijlating van haar echtgenoot. De man verblijft op dat moment in "het kamp" (waarschijnlijk doelt zij op Kamp Westerbork of een werkkamp).
De aanleiding voor dit verzoek is van economische aard: de vrouw heeft bericht ontvangen dat de betaling voor de marktstandplaats van haar man in de Gaaspstraat gewoon moet worden voldaan. Zij voert aan dat als haar man zou worden vrijgelaten, hij weer kan gaan werken, geld kan verdienen en zo aan zijn financiële verplichtingen kan voldoen. De toon is uiterst beleefd en formeel, wat typerend is voor dergelijke smeekbeden aan instanties in die tijd.
Historische Context
Het document dateert uit september 1942, een kritieke fase tijdens de Duitse bezetting van Nederland. De locatie van de markt, de Gaaspstraat in Amsterdam-Zuid (de Rivierenbuurt), is historisch zeer relevant. Vanaf november 1941 stelde de bezetter specifieke "Joodse markten" in; de markt in de Gaaspstraat was een van de locaties waar uitsluitend Joodse kooplieden mochten staan en waar alleen Joods publiek mocht komen.
Het feit dat de echtgenoot in een kamp verblijft en een standplaats had op deze specifieke markt, wijst er met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid op dat het hier gaat om een Joods gezin dat getroffen is door de deportaties of de tewerkstelling in de kampen. Dergelijke brieven werden vaak geschreven in een laatste, wanhopige poging om een familielid vrij te krijgen door te wijzen op het economisch nut van de persoon in kwestie. In de praktijk leverden deze verzoeken echter zelden het gewenste resultaat op.