Handgeschreven brief (verzoekschrift).
Origineel
Handgeschreven brief (verzoekschrift). 20 augustus 1942. B. Zomerplaag, Louis Bothastraat 10 hs, Amsterdam (O). Heer Directeur der Marktwezen, Amsterdam. Heer Directeur
der Marktwezen.
M.H.
A’dam 20 Aug. ’42
[Rechtsboven, handgeschreven aantekening in ander handschrift:]
Insp. S
n.i. advies
marktemblemen
Gaaspstr.
S
Daar ik een brief in mijn bezit heb, d.d. 22 October No. 90/42/2 M.
Waarin U mijn zoon, Salomon Zomerplaag, toestemming verleende mij bij te staan op de Mark-ten Mosplein en Uilenburg.
Nu echter wil ik U toestemming vragen deze ook te verleenen voor de Markt Gaaspstraat.
Hopende dat U aan mijn verzoek zult voldoen teken ik bij voorbaat mijn dank.
B. Zomerplaag.
L. Bothastr. 10 hs.
Amsterdam. (O)
[Stempel midden-links:]
Nº 103/98/1 M. 1942 25/8
[Onderaan, handgeschreven inkt:]
M. geen bezwaren
11/9 ’42 [onleesbare handtekening] In deze brief verzoekt B. Zomerplaag de directeur van de Dienst der Marktwezen om zijn zoon, Salomon Zomerplaag, toestemming te geven hem te helpen op de markt in de Gaaspstraat. Salomon had blijkbaar al toestemming (sinds oktober 1941) om zijn vader bij te staan op de markten aan het Mosplein en in Uilenburg.
Het document toont de bureaucratische gang van zaken: de brief wordt ontvangen op 25 augustus (stempel) en voorzien van intern advies betreffende "marktemblemen" (identificatiebadges voor marktkooplieden). Op 11 september 1942 wordt de aanvraag akkoord bevonden met de notitie "geen bezwaren". Dit document is historisch zeer beladen vanwege de datum: augustus 1942. Nederland is bezet door nazi-Duitsland en de Jodenvervolging is in volle gang.
De genoemde locaties zijn veelzeggend. Sinds eind 1941 waren Joodse marktkooplieden door de bezetter verbannen van de reguliere markten. Zij mochten alleen nog handelen op speciaal aangewezen "Jodenmarkten". De drie genoemde locaties — Mosplein (Amsterdam-Noord), Uilenburg (Centrum) en Gaaspstraat (Rivierenbuurt) — waren de locaties van deze segregated markten.
De familie Zomerplaag probeerde in de zomer van 1942, terwijl de deportaties naar kamp Westerbork al waren begonnen, hun nering voort te zetten. Archiefonderzoek (zoals via het Joods Monument) wijst uit dat de bewoners van de Louis Bothastraat 10 de oorlog niet hebben overleefd. Barend Zomerplaag (de vader) en Salomon Zomerplaag (de zoon) werden kort na het schrijven van deze brief weggevoerd en zijn beiden vermoord in Auschwitz (resp. november 1942 en januari 1943). Dit document getuigt van de wanhopige poging om onder extreme uitsluiting nog een inkomen te genereren.