Handgeschreven brief (mogelijk een briefkaart of bijlage bij een dossier).
Origineel
Handgeschreven brief (mogelijk een briefkaart of bijlage bij een dossier). 6 september 1942. Mevr. A. Sluis, Uithoornstraat 44 I, Amsterdam. Onbekende functionaris (waarschijnlijk de centrale marktmeester of een ambtenaar van de Afdeling Marktwezen). A'dam, 6 Sept '42
n. i. esp.
Geachte Heer,
Naar aanleiding van Uw brief dd. 4 dezer
deel ik U mede, dat mijn man op 29 Juli
naar een werkkamp is gestuurd. Hiervan
heb ik mededeeling gedaan aan den heer
Beckering, de marktmeester van de Gaasp-
straat, die mij zei, dat hij het zou doorgeven.
Hopende, dat U de vaste plaats kunt aanhouden
teken ik
Hoogachtend
Mevr A. Sluis.
[Kader linksonder:]
A Sluis
Uithoornstr 44 I De brief is een zakelijke en dringende reactie op een eerdere correspondentie (gedateerd 4 september 1942). Mevrouw Sluis legt uit waarom haar echtgenoot zijn marktplaats niet meer persoonlijk bezet: hij is op 29 juli 1942 "naar een werkkamp gestuurd". De schrijfster benadrukt dat zij dit al eerder mondeling heeft gemeld aan de heer Beckering, de marktmeester van de Gaaspstraat. Haar voornaamste doel is het behouden van de "vaste plaats", wat wijst op de noodzaak om in het levensonderhoud te voorzien terwijl haar man weg is. De vermelding van de Gaaspstraat is cruciaal, aangezien hier in 1941-1943 een van de drie "Joodse markten" in Amsterdam was gevestigd. Dit document dateert uit een zwarte periode in de Amsterdamse geschiedenis. In de zomer van 1942 begon de systematische deportatie van Joodse burgers via werkkampen en doorgangskamp Westerbork. De afzender, Jansje Sluis-van der Stam (die tekent met de initiaal van haar man Aron), woonde inderdaad op de Uithoornstraat 44 I in de Rivierenbuurt. Haar man, Aron Sluis, was een marktkoopman.
De brief illustreert hoe Joodse families probeerden hun dagelijks leven en bronnen van inkomsten te beschermen tegen de achtergrond van de nazi-vervolging. Uit historische bronnen (zoals het Joods Monument) weten we dat Aron Sluis kort na het schrijven van deze brief, op 30 september 1942, in Auschwitz werd vermoord. Zijn vrouw en kinderen ondergingen later hetzelfde lot. De brief is daarmee een aangrijpend bewijsstuk van de bureaucratische realiteit waarin Joodse slachtoffers tot op het laatste moment probeerden hun rechten te verdedigen.
Samenvatting
De brief is een zakelijke en dringende reactie op een eerdere correspondentie (gedateerd 4 september 1942). Mevrouw Sluis legt uit waarom haar echtgenoot zijn marktplaats niet meer persoonlijk bezet: hij is op 29 juli 1942 "naar een werkkamp gestuurd". De schrijfster benadrukt dat zij dit al eerder mondeling heeft gemeld aan de heer Beckering, de marktmeester van de Gaaspstraat. Haar voornaamste doel is het behouden van de "vaste plaats", wat wijst op de noodzaak om in het levensonderhoud te voorzien terwijl haar man weg is. De vermelding van de Gaaspstraat is cruciaal, aangezien hier in 1941-1943 een van de drie "Joodse markten" in Amsterdam was gevestigd.
Historische Context
Dit document dateert uit een zwarte periode in de Amsterdamse geschiedenis. In de zomer van 1942 begon de systematische deportatie van Joodse burgers via werkkampen en doorgangskamp Westerbork. De afzender, Jansje Sluis-van der Stam (die tekent met de initiaal van haar man Aron), woonde inderdaad op de Uithoornstraat 44 I in de Rivierenbuurt. Haar man, Aron Sluis, was een marktkoopman.
De brief illustreert hoe Joodse families probeerden hun dagelijks leven en bronnen van inkomsten te beschermen tegen de achtergrond van de nazi-vervolging. Uit historische bronnen (zoals het Joods Monument) weten we dat Aron Sluis kort na het schrijven van deze brief, op 30 september 1942, in Auschwitz werd vermoord. Zijn vrouw en kinderen ondergingen later hetzelfde lot. De brief is daarmee een aangrijpend bewijsstuk van de bureaucratische realiteit waarin Joodse slachtoffers tot op het laatste moment probeerden hun rechten te verdedigen.