Handgeschreven brief (verzoekschrift).
Origineel
Handgeschreven brief (verzoekschrift). 8 september 1942. Onbekend (vermoedelijk de echtgenote van een Joodse marktkoopman). Directeur van het Marktwezen, Amsterdam. $N^{\underline{o}} 103/107/2$ M. 1942 11/9 [stempel/aantekening linksboven]
m. i. Insp. [aantekening rechtsboven]
A'dam, 8 Sept '42
Aan den heer Directeur van het Marktwezen
A'dam.
Geachte Heer,
Ter vervolg op mijn briefkaart d.d. 6 dezer bericht ik U bij deze, dat de mogelijkheid bestaat, dat mijn man uit het werkkamp ontslagen kan worden en zodoende zijn oude standplaats weder kan innemen. Ik ontving nl. van het Rijkscommissariaat een brief, waarin mijn man toestemming krijgt voor het weder voeren van zijn zaak. Gewacht moet nu worden op de toestemming van den Beauftragte der stad A'dam, of mijn man vrijstelling krijgt voor het werkkamp.
In verband hiermede ben ik met Uw schrijven d.d. 7 Sept nog eens naar de marktmeester van de markt Gaaspstraat geweest, die mij aanraadde, mij in verbinding met Uw bureau te stellen, ten einde te bewerkstelligen, dat de vaste plaats van mijn man nog kon worden aangehouden. Het nog vrucht-
[onderaan rechts:] 103 * Kernboodschap: De schrijfster verzoekt de directeur van het Marktwezen om de vaste marktplaats van haar man aan de Gaaspstraat te behouden. Haar man bevindt zich op dat moment in een werkkamp, maar er is een kans op vrijstelling en terugkeer omdat hij toestemming heeft gekregen van het Rijkscommissariaat om zijn zaak voort te zetten.
* Bureaucratische context: De brief illustreert de complexe lagen van gezag tijdens de bezetting. Er is sprake van de gemeentelijke marktmeester, de directeur van het Marktwezen, het Rijkscommissariaat (het Duitse civiele bestuur onder Seyss-Inquart) en de Beauftragte van de stad Amsterdam (Hans Böhmcker), die toezicht hield op het Amsterdamse stadsbestuur.
* Persoonlijk drama: De term "werkkamp" was in september 1942 voor Joodse Amsterdammers vaak een eufemisme voor de kampen van de Joodse Werkverruiming, die op dat moment als verzamelpunten dienden voor deportatie naar de concentratie- en vernietigingskampen. Het verkrijgen van een "vrijstelling" (Sperre) op basis van economisch belang was voor velen een wanhopige poging om aan deportatie te ontsnappen.
* Taalgebruik: De brief is geschreven in een formele, beleefde toon, typerend voor correspondentie met overheidsinstanties in die tijd, ondanks de ongetwijfeld hachelijke situatie van de afzender. * De Markt aan de Gaaspstraat: Vanaf november 1941 mochten Joden in Amsterdam alleen nog handelen op drie aangewezen "Jodenmarkten": het Waterlooplein, de Joubertstraat en de Gaaspstraat. Deze markten waren streng gereguleerd en afgesloten voor niet-Joodse kopers.
* Tijdsgewricht: September 1942 markeert een dieptepunt in de geschiedenis van Joods Amsterdam; de grootschalige wegvoering vanuit de werkkampen en via Westerbork naar Auschwitz was toen reeds in volle gang.
* Behoud van standplaats: Voor marktkooplieden was hun "vaste plaats" hun enige bron van inkomen. Bij afwezigheid door tewerkstelling liepen zij het risico deze vergunning te verliezen aan de gemeente, wat na een eventuele terugkeer totale armoede zou betekenen. Marktwezen