Brief (verzoekschrift)
Origineel
Brief (verzoekschrift) 22 oktober 1942 G. van Brink Directeur van het Marktwezen te Amsterdam [Stempel/Kenmerk linksboven:]
Nº 103/156/1 M. 1942 23/10
[Rechtsboven:]
204
G. van Brink
Rijnstraat 201 II
Amsterdam.
Amsterdam, 22/10/42
Den Heer Directeur
vh. Marktwezen te
Amsterdam.
[Ambtelijke aantekening:] n.v. Insp
Mijnheer,
Hiermede neem ik de vrijheid mij tot U te richten met het volgende verzoek:
sinds het bestaan van de Joodsche Markt op de Gaaspstraat had ik aldaar een voorkeurskaart No. 362. De Markt werd door mij bezocht en betaald tot en met Juni 1942.
In de laatste dagen van Juni is mij een knie-ongeluk overkomen waardoor ik geopereerd moest worden en ik kon in dien tijd de markt natuurlijk niet bezoeken.
Sinds begin October ben ik weer in staat normaal te loopen en hoorde van den marktmeester (Hr. Beekering) dat mijn voorkeurskaart ingetrokken was omdat er door mij niet doorbetaald was aan marktgeld.
Ik verzoek U beleefd of U mij per uitzondering een plaats op de Gaaspstraat kan toewijzen en U wordt bij voorbaat ten zeerste bedankt.
Hoogachtend
[Signatuur: G. v Brink]
[Aantekening onderaan:]
Verzoek kan m.i. niet worden ingewilligd
26.10.42
[Signatuur/Paraaf: v.d. Ham?] In deze brief verzoekt de heer G. van Brink om herstel van zijn marktvergunning (voorkeurskaart No. 362) voor de markt in de Gaaspstraat. Hij legt uit dat hij door een knie-operatie tussen juni en oktober 1942 niet in staat was de markt te bezoeken of het verschuldigde marktgeld te betalen. Hierdoor is zijn kaart door de marktmeester (de heer Beekering) ingetrokken.
De ambtelijke reactie onderaan de brief is kort en resoluut: "Verzoek kan m.i. niet worden ingewilligd", gedateerd op 26 oktober 1942. Dit wijst op een strikte handhaving van de regels, waarbij geen rekening werd gehouden met medische overmacht. Dit document is een aangrijpend voorbeeld van de bureaucratische uitsluiting tijdens de Duitse bezetting van Nederland. De "Joodsche Markt" aan de Gaaspstraat (hoek Vrolikstraat/Gaaspstraat) was een van de speciaal door de bezetter aangewezen markten waar het voor Joden verplicht was hun inkopen te doen of handel te drijven, nadat zij van de reguliere markten waren verbannen.
In de herfst van 1942, de periode waarin deze brief is geschreven, waren de grootschalige deportaties van Joden uit Amsterdam naar de concentratie- en vernietigingskampen al in volle gang. Het feit dat een verzoek om een staanplaats op basis van medische gronden direct werd afgewezen, illustreert de precaire positie en de rechteloosheid van de Joodse bevolking in die tijd. De administratie van het Marktwezen fungeerde hier als een verlengstuk van het uitsluitingsbeleid. G. van Brink Marktwezen
Samenvatting
In deze brief verzoekt de heer G. van Brink om herstel van zijn marktvergunning (voorkeurskaart No. 362) voor de markt in de Gaaspstraat. Hij legt uit dat hij door een knie-operatie tussen juni en oktober 1942 niet in staat was de markt te bezoeken of het verschuldigde marktgeld te betalen. Hierdoor is zijn kaart door de marktmeester (de heer Beekering) ingetrokken.
De ambtelijke reactie onderaan de brief is kort en resoluut: "Verzoek kan m.i. niet worden ingewilligd", gedateerd op 26 oktober 1942. Dit wijst op een strikte handhaving van de regels, waarbij geen rekening werd gehouden met medische overmacht.
Historische Context
Dit document is een aangrijpend voorbeeld van de bureaucratische uitsluiting tijdens de Duitse bezetting van Nederland. De "Joodsche Markt" aan de Gaaspstraat (hoek Vrolikstraat/Gaaspstraat) was een van de speciaal door de bezetter aangewezen markten waar het voor Joden verplicht was hun inkopen te doen of handel te drijven, nadat zij van de reguliere markten waren verbannen.
In de herfst van 1942, de periode waarin deze brief is geschreven, waren de grootschalige deportaties van Joden uit Amsterdam naar de concentratie- en vernietigingskampen al in volle gang. Het feit dat een verzoek om een staanplaats op basis van medische gronden direct werd afgewezen, illustreert de precaire positie en de rechteloosheid van de Joodse bevolking in die tijd. De administratie van het Marktwezen fungeerde hier als een verlengstuk van het uitsluitingsbeleid.