Archief 745
Inventaris 745-396
Pagina 138
Dossier 24
Jaar 1942
Stadsarchief

Brief (verzoekschrift/klacht)

9 juni 1942 Van: Mevrouw M.M. Mieselaar-Wilhelm

Origineel

Brief (verzoekschrift/klacht) 9 juni 1942 Mevrouw M.M. Mieselaar-Wilhelm gekookte garnalen, in dit verband
verzoek ik U beleefd mij te berichten, of
ik niet een toewijzing van U kan krijgen
voor gerookte aal.
Voorts neem ik hiermede beleefd
de vrijheid nog op te merken, dat ik
heden (9 Juni 1942) sinds 22 Mei 1942,
50 pond garnalen te koop kreeg.
Niet zoodra kwam ik op de markt
in de Albert Cuypstraat, of ik
moest 2 x f 1,35 marktgeld betalen,
n.l. 1 x voor verleden week, terwijl ik
toen niets te koop heb gehad.
Dus als ik nu weer over 7
weken 50 pond garnalen krijg moet ik
dan weer 7 x f 1,35 marktgeld
betalen?
Daarbij komt nog aan het
eind van het jaar de omzetbelasting
en mijn karhuur (f 0,25 per week)
waar blijft dan mijn winst?
Hopende dat U deze zaak
voor mij eens wilt onderzoeken, en
Uw spoedig antwoord hieromtrent
gaarne tegemoet ziende, teekent in
afwachting,

Hoogachtend,
Mevrouw M. M. Mieselaar Wilhelm

Mevrouw M. M. Mieselaar - Wilhelm
1e Passeerdersdwarsstraat 23 II
Amsterdam Centrum Deze brief is een indringend voorbeeld van de dagelijkse economische overlevingsstrijd van een kleine zelfstandige tijdens de Duitse bezetting. Mevrouw Mieselaar-Wilhelm, een visverkoopster op de Albert Cuypmarkt, kaart twee hoofdzaken aan:

  1. Schaarste en distributie: Ze vraagt om een "toewijzing" voor gerookte aal. Tijdens de oorlog waren bijna alle levensmiddelen schaars en was de handel strikt gereguleerd via een distributiestelsel. Zonder officiële toewijzing kon een handelaar geen voorraad inkopen.
  2. Onredelijke lasten: De kern van haar klacht is het marktgeld. Ze moet f 1,35 per week betalen, ook over de weken waarin ze geen handel (garnalen) geleverd kreeg. Ze rekent voor dat als de leveringen zo schaars blijven (eens per zeven weken), de opgestapelde marktgelden, de karhuur en de omzetbelasting haar volledige winst opeten.

De toon is uiterst beleefd ("neem ik de vrijheid", "beleefd verzoek"), wat gebruikelijk was in correspondentie met officiële instanties, maar de onderliggende wanhoop over het gebrek aan inkomsten is duidelijk voelbaar in de vraag: "waar blijft dan mijn winst?". * Tijdsbeeld: Juni 1942. Nederland is ruim twee jaar bezet. De schaarste nam in deze periode hand over hand toe. De overheid (vaak via de Crisis Controle Dienst of de plaatselijke marktwezen-autoriteiten) controleerde wie wat mocht verkopen.
* De Albert Cuypmarkt: Al in 1942 was dit een van de belangrijkste markten van Amsterdam. Voor marktkooplieden was het recht op een standplaats cruciaal, maar de verplichting om standgeld te betalen zonder dat er goederen waren om te verkopen, dreef velen tot de financiële afgrond.
* Munteenheid: De bedragen worden vermeld in guldens (f). f 1,35 was in die tijd een aanzienlijk bedrag voor een wekelijkse heffing, zeker afgezet tegen een karhuur van f 0,25.
* Locatie: De 1e Passeerdersdwarsstraat ligt in de Jordaan/Centrum-buurt, een volksbuurt waar in die tijd veel kleine neringdoenden en marktkooplieden woonden. De toevoeging "II" bij het huisnummer duidt op de tweede verdieping, destijds een typische etagewoning voor de arbeidersklasse.

Samenvatting

Deze brief is een indringend voorbeeld van de dagelijkse economische overlevingsstrijd van een kleine zelfstandige tijdens de Duitse bezetting. Mevrouw Mieselaar-Wilhelm, een visverkoopster op de Albert Cuypmarkt, kaart twee hoofdzaken aan:

  1. Schaarste en distributie: Ze vraagt om een "toewijzing" voor gerookte aal. Tijdens de oorlog waren bijna alle levensmiddelen schaars en was de handel strikt gereguleerd via een distributiestelsel. Zonder officiële toewijzing kon een handelaar geen voorraad inkopen.
  2. Onredelijke lasten: De kern van haar klacht is het marktgeld. Ze moet f 1,35 per week betalen, ook over de weken waarin ze geen handel (garnalen) geleverd kreeg. Ze rekent voor dat als de leveringen zo schaars blijven (eens per zeven weken), de opgestapelde marktgelden, de karhuur en de omzetbelasting haar volledige winst opeten.

De toon is uiterst beleefd ("neem ik de vrijheid", "beleefd verzoek"), wat gebruikelijk was in correspondentie met officiële instanties, maar de onderliggende wanhoop over het gebrek aan inkomsten is duidelijk voelbaar in de vraag: "waar blijft dan mijn winst?".

Historische Context

  • Tijdsbeeld: Juni 1942. Nederland is ruim twee jaar bezet. De schaarste nam in deze periode hand over hand toe. De overheid (vaak via de Crisis Controle Dienst of de plaatselijke marktwezen-autoriteiten) controleerde wie wat mocht verkopen.
  • De Albert Cuypmarkt: Al in 1942 was dit een van de belangrijkste markten van Amsterdam. Voor marktkooplieden was het recht op een standplaats cruciaal, maar de verplichting om standgeld te betalen zonder dat er goederen waren om te verkopen, dreef velen tot de financiële afgrond.
  • Munteenheid: De bedragen worden vermeld in guldens (f). f 1,35 was in die tijd een aanzienlijk bedrag voor een wekelijkse heffing, zeker afgezet tegen een karhuur van f 0,25.
  • Locatie: De 1e Passeerdersdwarsstraat ligt in de Jordaan/Centrum-buurt, een volksbuurt waar in die tijd veel kleine neringdoenden en marktkooplieden woonden. De toevoeging "II" bij het huisnummer duidt op de tweede verdieping, destijds een typische etagewoning voor de arbeidersklasse.

Locaties

De 1e Passeerdersdwarsstraat ligt in de Jordaan/Centrum-buurt een volksbuurt waar in die tijd veel kleine neringdoenden en marktkooplieden woonden. De toevoeging "II" bij het huisnummer duidt op de tweede verdieping destijds een typische etagewoning voor de arbeidersklasse.

Kooplieden in dit dossier 4

Gerelateerde Documenten 6