Brief (handgeschreven)
Origineel
Brief (handgeschreven) 12 februari 1942 Volendam 12.2.42
Weledele Heer
Naar aanleiding van uw schrijven van 11 Februari j.l. dank ik u nog hartelijk voor uw moeite maar wilt u zoo goed zijn om de plaatsen die ons toegewezen zijn over te schrijven op Bruin Smit en Hein Molenaar beiden wonende te Volendam respectievelijk Dril 35 en Ansjovisstraat 18.
Met deze twee personen werk ik al sinds een half jaar samen en daar wij door omstandigheden steeds buiten Amsterdam moeten zijn vooral om handel in te koopen is het dus beter dat voornoemde twee personen deze plaatsen no 869 en no 870. innemen. Ik hoop dat er van uw kant geen bezwaren tegen zijn en dank u daarom bij voorbaat.
Hoogachtend no. 869 Albert Cuypstr.
M. E. Jansen. Pastoor v. d. Weidenstraat 6 Volendam
en no 870 Albert Cuypstr.
Cornelis Koning. Haringstraat 10 Volendam
Handtekening
[Handtekening M.E. Jansen] [Handtekening C. Koning]
--- In deze brief verzoeken M.E. Jansen en Cornelis Koning uit Volendam om hun toegewezen marktplaatsen (nummers 869 en 870) aan de Albert Cuypstraat in Amsterdam over te dragen aan twee plaatsgenoten: Bruin Smit en Hein Molenaar.
De schrijvers voeren als reden aan dat zij al een half jaar met deze twee mannen samenwerken. Omdat Jansen en Koning voor hun werk (het inkopen van handel) vaak buiten Amsterdam moeten zijn, achten zij het praktischer als Smit en Molenaar de vaste plekken op de markt officieel overnemen. De brief is formeel van toon en getuigt van een zakelijke afwikkeling van marktvergunningen in die tijd. De vermelding van specifieke adressen in Volendam (Dril 35 en Ansjovisstraat 18) en Amsterdam (Albert Cuypstraat) geeft het document een hoge mate van precisie.
--- De brief dateert van februari 1942, midden in de Duitse bezetting van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. De Albert Cuypmarkt in Amsterdam was ook tijdens de oorlogsjaren een cruciaal handelscentrum, hoewel de omstandigheden steeds moeilijker werden door schaarste en distributiemaatregelen.
Rond de tijd dat deze brief werd geschreven, vonden er grote verschuivingen plaats op de Amsterdamse markten. Vanaf 1941 mochten Joodse marktkooplieden hun beroep niet meer uitoefenen op openbare markten, wat leidde tot herindelingen en het vrijkomen of overdragen van standplaatsen.
De brief illustreert ook de verbinding tussen de vissersdorpen rond het IJsselmeer (zoals Volendam) en de Amsterdamse markt. Veel Volendammers handelden in vis of andere goederen in de hoofdstad. De opmerking dat men "steeds buiten Amsterdam moet zijn om handel in te koopen" wijst op de logistieke uitdagingen van die tijd: door schaarste moest men steeds verder reizen of creatiever zijn om aan verhandelbare goederen te komen.