Dienstbrief / Correspondentie.
Origineel
Dienstbrief / Correspondentie. 3 mei 1943. Der Direktor (waarschijnlijk van een distributie- of marktinstituut in Amsterdam). Herrn A. Gombault, Wirtschaftsreferent bij het bureau van de Beauftragte für die Stadt Amsterdam (gevestigd aan het Museumplein 19). [Linksboven:]
2c/14/2 M.
[Rechtsboven, handgeschreven:]
Verzonden 6/5
(mrg door M.v.R.) [?]
[Rechtsboven, getypt:]
VB/SV
- Mai 1943.
Herrn A. Gombault
Wirtschaftsreferent Büro Beauftragte
für die Stadt Amsterdam,
Museumplein 19,
Amsterdam-Zuid wijk 19
Betr.: jüdischer Gemüsehändler L. Neumann, Scheldestraat
133, Amsterdam.
Antwortlich Ihres Schreibens vom 28. vorigen
Monats teile ich Ihnen mit, dasz in den letzten Tagen
Partien Spinat von einem solchen schwachen Qualität ange-
führt worden sind, dasz sie nicht aufbewahrt werden konnten.
Partien in Händen der Groszhändler und der Kleinhändler
haben sich dadurch unverkaufbar gezeigt, welche Partien
vernichtet werden muszten. Es versteht sich, dasz von
diesen schwachen Partien Spinat auch Teile in Händen
jüdischer Händler gekommen sind. Ich bin also der Meinung,
dasz aus dieser Sache nicht hervorgeht, als wäre die Ge-
müsezuteilung für die Juden zu grosz.
Der Direktor, Deze brief is een reactie op een eerdere navraag van de Duitse Wirtschaftsreferent Gombault van 28 april 1943. Centraal staat een incident met de kwaliteit van de groenteleverantie aan Joodse handelaren, specifiek L. Neumann.
De kernpunten van het document zijn:
1. Kwaliteitsproblemen: Er is onlangs een grote partij spinazie binnengekomen van dermate slechte kwaliteit dat deze niet bewaard kon worden.
2. Vernietiging: Zowel bij groothandels als detailhandels was de spinazie onverkoopbaar en moest deze worden vernietigd.
3. Toewijzing aan Joden: De afzender legt uit dat een deel van deze slechte partij ook bij Joodse handelaren terecht is gekomen.
4. Conclusie: De directeur verdedigt zich tegen een (blijkbaar door de nazi-autoriteiten geuite) suggestie dat de groentetoewijzing aan Joden te groot zou zijn. Hij stelt dat het feit dat Joodse handelaren over voorraden beschikten die vernietigd moesten worden, louter te wijten was aan de slechte kwaliteit van die specifieke partij, en niet aan een overschot in de rantsoenering. Dit document stamt uit mei 1943, een periode waarin de Jodenvervolging in het bezette Nederland zijn dieptepunt naderde. Joden waren inmiddels volledig geïsoleerd van het openbare leven en hun dagelijkse behoeften, zoals voedsel, werden streng gerantsoeneerd en gecontroleerd via specifieke kanalen.
De personen en locaties:
* Museumplein 19: Hier was het kantoor van de Beauftragte für die Stadt Amsterdam (onderdeel van het Rijkscommissariaat) gevestigd. Dit bureau hield toezicht op het Amsterdamse stadsbestuur en de economische uitsluiting van de Joden.
* L. Neumann: Leo Neumann (gevestigd op Scheldestraat 133) was een Joodse groentehandelaar. In deze fase van de bezetting mochten Joden vaak alleen nog kopen bij Joodse winkeliers die door de bezetter waren aangewezen.
* Rantsoenering: De nazi-ideologie streefde naar een stelselmatige uithongering en marginalisering van de Joodse bevolking. De discussie in de brief over of de "groentetoewijzing voor Joden te groot" is, illustreert de cynische bureaucratie achter de vervolging; zelfs de distributie van bedorven groente werd onder de loep genomen om te voorkomen dat Joden "te veel" zouden krijgen.