Dienstbrief / Ambtelijke correspondentie.
Origineel
Dienstbrief / Ambtelijke correspondentie. 26 juli 1943. De waarnemend Directeur (vermoedelijk van een lokale afdeling van de Visscherij-Centrale, mogelijk IJmuiden gezien de handgeschreven kanttekening). [Handgeschreven aantekening bovenaan:] IJmuiden 26/7 Insp.
46a/225/3 M. 26 Juli 1943. VD/SV
Den Heer Directeur der
Nederlandsche Visscherij-
Centrale,
2e Adelheidstraat 300,
's-G r a v e n h a g e (ZH)
Onder terugzending van het met Uw kant-
brief d.d. 13 dezer no. 18182-V/Lam om advies
ontvangen stuk bericht ik U, dat krachtens
artikel 9 van het 2e Uitvoeringsbesluit het
leveren van visch aan restaurants e.d. zonder
schriftelijke toestemming niet is geoorloofd.
Deze toestemmingen zijn tot nu toe aan geen en-
kelen kleinhandelaar verleend, doch oogluikend
wordt toegelaten, dat de fijne vischsoorten door
de kleinhandelaren aan hun oude afnemers in casu
de restaurants e.d. worden doorgeleverd. Ik heb
ernstige bezwaren om aan het verzoek van den
heer Van Rijsbergen, om hem den alleenverkoop
aan restaurants te geven, te voldoen.
De kleinhandelaren, die jarenlang ge-
wend zijn aan bovenbedoelde inrichtingen te
leveren, zouden hierdoor namelijk worden bena-
deeld.
De Directeur,
wnd. In dit schrijven adviseert een waarnemend directeur (mogelijk de havenmeester of inspecteur te IJmuiden) de centrale directie in Den Haag over een verzoek van een zekere heer Van Rijsbergen. Deze Van Rijsbergen heeft verzocht om het monopolie ("alleenverkoop") te krijgen op de levering van vis aan restaurants.
De schrijver wijst dit verzoek gemotiveerd af. Hoewel de formele regels (het 2e Uitvoeringsbesluit) stellen dat levering aan restaurants verboden is zonder schriftelijke vergunning, wordt in de praktijk gedoogd ("oogluikend toegelaten") dat bestaande kleinhandelaren hun vaste klanten in de horeca blijven bedienen, met name wat betreft de "fijne vischsoorten". De auteur stelt het belang van de gevestigde kleinhandel voorop; het toekennen van een monopolie aan één individu zou de bestaande ondernemers, die deze relaties al jaren onderhouden, onevenredig benadelen. Het document dateert van juli 1943, midden in de Duitse bezetting van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. In deze periode was de voedselvoorziening streng gereguleerd en gecentraliseerd. De Nederlandsche Visscherij-Centrale (NVC) was het orgaan dat namens de overheid (onder toezicht van de bezetter) toezag op de vangst, prijsvorming en distributie van vis.
Er was destijds grote schaarste en veel vis werd direct naar Duitsland getransporteerd of was bestemd voor de centrale distributie (op de bon). "Fijne visch" (zoals tong of tarbot) was zeer kostbaar en schaars. De vermelding van het "oogluikend toelaten" van leveringen aan restaurants duidt op de grijze zone tussen de strenge bureaucratische distributieregels en de economische realiteit van die tijd, waarbij men trachtte lokale handelsstructuren te ontzien om totale ontwrichting of massale zwarte handel te voorkomen.