Officieel rapport (RAPPORT) van de Dienst van het Marktwezen te Amsterdam.
Origineel
Officieel rapport (RAPPORT) van de Dienst van het Marktwezen te Amsterdam. 20 maart 1944. [Koptekst]
DIENST VAN HET MARKTWEZEN
te
A M S T E R D A M
No. 2C/20/1 M.1944 25/3 [handgeschreven]
RAPPORT [onderstreept] m.h. Sieburgh k [handgeschreven]
[Hoofdtekst - getypt]
Op 14 Maart 1944, verscheen voor mij, J. H. de Grebber, Ambtenaar bij het Marktwezen, tevens onbezoldigd veldwachter der gemeente Amsterdam, W. Stort, wonende Molenkade no. 40 te Duivendrecht, die mij mededeelde, dat hij zijn eerste toewijzing sinaasappelen niet had ontvangen van zijn groentehandelaar, P. A. Romijn, Abcouderstraatweg 119C, hoewel hij daarvoor wel een bon had ingeleverd. Verder verklaarde hij mij, dat hem door Romijn ook geen klantenkaart was ~~afgeleverd~~ afgegeven.
Op 16 Maart 1944 hoorde ik hierover;
Petrus Adrianus Romijn, [onderstreept]
wonende Abcouderstraatweg 119 c, te Duivendrecht, die mij, nadat ik hem voor zoover noodig met een en ander in kennis had gesteld, mij het volgende verklaarde; "Het is mij bekend, dat W. Stort de sinaasappelen van de eerste toewijzing (kinderen 0-4jaar) niet heeft ontvangen. Mijn zoon Jan Romijn, die in mijn loondienst was, heb ik belast met het bezorgen van deze sinaasappelen. Hij heeft deze echter niet afgeleverd. Waarschijnlijk heeft hij ze voor duurderen prijs verkocht. Ik heb mijn zoon inmiddels ontslagen. Het spijt mij, dat zulks gebeurd is, doch ik beloof U, dat ik, als ik maar even in de gelegenheid ben, de sinaasappelen alsnog zal afleveren. Voor zoover ik weet, is Stort de eenige persoon, die geen sinaasappelen heeft ontvangen. Een klantenkaart heb ik Stort nooit geleverd, omdat ik deze niet meer had en ik er niet meer aan had gedacht, om er een aan te vragen."
Waarvan dit rapport te Amsterdam op 20 Maart 1944.
De Ambtenaar voornoemd,
[Handtekening: J.H. de Grebber]
Aan
Den Heer Directeur van het Marktwezen
A L H I E R
[Handgeschreven aantekeningen]
- [Links, in rood kader]: Toelichting: zonen van groentehandelaren als Jan Maar bij Boele - Stort moet bewijzen dat lijdt(?) - hij überhaupt kinderen heeft.
- [Links midden]: H. Sieburgh Leider Markt ambt. nagaan wat te doen in dit geval. Indien een bewijsbriefje machtiging kunnen worden opgevraagd - de zaak bespreken met Inspecteur Vondelstraat 100.
- [Onder links]: Romijn meegedeeld volgens instruktie - aanmelden!
- [Onder handtekening]: 23-3-44
- [Rechtsonder, in oranje kader]: Onderzoek of nevenstaande is uitgevoerd (Stort) ook van ondergetekende idem analoge zaak maar ook Boele - [onleesbaar] 17-4-44. * Context: Dit document dateert uit de Tweede Wereldoorlog tijdens de Duitse bezetting van Nederland. Er was sprake van strikte rantsoenering en schaarste.
- Kern van het conflict: Een burger (Stort) heeft zijn toegewezen sinaasappelen niet ontvangen, hoewel hij de distributiebon al had ingeleverd. Sinaasappelen waren in 1944 een zeldzaam luxeartikel, specifiek gereserveerd voor kwetsbare groepen zoals jonge kinderen (0-4 jaar).
- Zwarte handel: De groentehandelaar schuift de schuld op zijn zoon, die de vruchten vermoedelijk voor een hogere prijs op de zwarte markt heeft doorverkocht. Dit was een veelvoorkomend probleem tijdens de oorlogsjaren.
- Bureaucratische controle: De handgeschreven noten tonen aan dat de autoriteiten de klacht serieus namen, maar ook wantrouwig waren tegenover de burger ("moet bewijzen dat hij überhaupt kinderen heeft"). Er wordt verwezen naar overleg met een inspecteur op de Vondelstraat 100, destijds een belangrijk kantoor voor economische handhaving. Tijdens de bezetting was de Dienst van het Marktwezen verantwoordelijk voor het toezicht op de handel en de naleving van de distributiewetten. Omdat voedsel schaars was, werden extra vitamines (zoals in sinaasappelen) via een bonnensysteem uitsluitend aan specifieke doelgroepen toegewezen. Fraude door winkeliers of hun personeel werd streng bestraft, aangezien het de voedselvoorziening van de bevolking in gevaar bracht. De "onbezoldigd veldwachter" status van de ambtenaar duidt op de extra bevoegdheden die marktmeesters kregen om in die tijd op te treden tegen economische delicten.