Handgeschreven ambtelijke rapportage of interne notitie.
Origineel
Handgeschreven ambtelijke rapportage of interne notitie. 9 juni 1939. ... heeft ook maar geteekend. maar ze allemaal
teekenden. Dat B. Fluijman en D. Vree altijd
2 plaatsen bezet is m. i. billijk, waarom
zouden zij dat niet mogen als er plaats ten over-
is. Deze pers. hebben zomer en winter altijd
2 plaatsen. Alleen wanneer ik plaatsen te
kort kom, moeten ook zij hun 2e plaats afstaan.
Daar er door de week altijd open plaatsen
beschikbaar zijn, kan ik mij niet voorstellen
waarom of hier geklaagd wordt.
Het lijkt mij dan ook een opzweeperij
van de schrijver van deze klacht.
Hij gaf ook toe een beetje bang te zijn
dat zijn zoon in de toekomst in de knel ^(zou) komen
Daar er nog 15 ^(versch.) kooplieden zijn die niet
geteekend hebben, en de meeste teekenaars niet
weten waarom zij geteekend hebben, lijkt deze
klacht mij wel wat overdreven en ongegrond.
A’dam 9 Junie 1939 [Handtekening] Het document is een verslag van een marktmeester of een vergelijkbare toezichthouder naar aanleiding van een klacht of petitie over de toewijzing van marktplaatsen. De kern van het geschil is dat twee kooplieden, B. Fluijman en D. Vree, permanent twee standplaatsen bezetten.
De auteur van de notitie verdedigt deze situatie met de volgende argumenten:
1. Billijkheid en Ruimte: Er is voldoende ruimte op de markt ("plaats ten overvloed"), waardoor het bezetten van een dubbele plek niemand benadeelt.
2. Voorwaardelijkheid: De gunst is niet absoluut; bij schaarste moeten de extra plaatsen direct worden afgestaan.
3. Motivatie klager: De schrijver typeert de klacht als "opzweeperij" en stelt dat de klager handelt uit eigenbelang (angst voor de toekomstige concurrentiepositie van zijn zoon) in plaats van uit een breed gedragen bezwaar.
De opmerking dat veel ondertekenaars van de klacht eigenlijk niet wisten waarvoor ze tekenden, wijst op een kritische houding van de ambtenaar tegenover deze vorm van collectief protest. Dit document stamt uit juni 1939, slechts enkele maanden voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. In deze periode was de ambulante handel op de Amsterdamse markten (zoals de Albert Cuyp of de Dappermarkt) een vitale, maar ook zwaar bevochten bron van inkomst. Standplaatsen waren strikt gereguleerd door de gemeente.
Namen als Fluijman en Vree komen in historische registers van Amsterdamse marktkooplieden vaker voor. Het document geeft een inkijkje in de dagelijkse micro-politiek op de markt, waarbij persoonlijke vetes en zorgen over erfopvolging (de zoon van de klager) via officiële klachten bij het markttoezicht belandden. De informele en directe toon van de notitie is kenmerkend voor de interne communicatie binnen de Amsterdamse gemeentelijke diensten uit die tijd. B. Fluijman D. Vree