Ambtelijke brief/intern memorandum met kanttekeningen en concept-besluit.
Origineel
Ambtelijke brief/intern memorandum met kanttekeningen en concept-besluit. 8 juni 1943 (met latere aantekeningen tot oktober 1943). Controleur-Opziener T. Middelrust (ondertekening lijkt Middelrust of Clitselust). Den heer Inspecteur
v/h. Marktwezen.
In aansluiting op het rapport van de Contr: Dijkema, kan ik u mededeelen, dat den heer G. Lischer zijn terrein voor opslag brandstoffen aan de Spijkarkade in huur heeft en de heer J.A. Rappange aan het Buiksloterhamkanaal zijn eigendom is. Voor beide handelaren is het een groot voordeel, indien zij de schuiten met brandstoffen die zij aanvoeren aan hun terrein kunnen lossen. Het brengt voor beide veel kosten en arbeid mee als zij op een aangewezen brandstoffenmarkt moeten lossen.
Ik stel u dan ook voor om de Spijkerhaven en Buiksloterhamkanaal als brandstoffenmarkt aan te wijzen.
Amsterdam 8 Juni 1943.
Contr: Opz: T. Middelrust [?]
[Ingevoegd concept/notitie onderaan:]
In verband met het bovenstaande stel ik voor opgemelde kanalen door B.W. te laten aanwijzen als [doorstreept: tijdelijke] hulpmarkt van de brandstoffenmarkt.
[Margenote links:]
onderwerp: aanwijzing tijdel. hulpmarkt brandstoffenmarkt.
[Diverse aantekeningen en doorhalingen in het midden:]
[doorstreept: de ondertekening van]
[doorstreept: de terreinen van deze beide handelaren]
[doorstreept: in huur resp. eigendom zijn]
[doorstreept: aan de Spijkerhaven]
[doorstreept: aan het Buiksloterhamkanaal]
[Onderaan, concept-besluit:]
Hiermede heb ik de eer U te berichten, dat [doorstreept: aan] de brandstoffenhandelaren G. Lischer en J.A. Rappange [doorstreept: met] enige schuiten ligplaats wordt verleend resp. in de Spijkerhaven en in het Buiksloterhamkanaal, zonder dat deze waters zijn aangewezen als brandstoffenmarkt. Het document betreft een administratief proces binnen de gemeente Amsterdam (Marktwezen) tijdens de Tweede Wereldoorlog. De kern van de zaak is logistieke efficiëntie voor brandstoffenhandelaren.
Twee handelaren, Lischer en Rappange, beschikken over eigen terreinen (huur en eigendom) aan het water in Amsterdam-Noord. Normaal gesproken moesten zij hun brandstoffen (waarschijnlijk kolen of hout) lossen op de officieel aangewezen brandstoffenmarkt, wat extra kosten en arbeid met zich meebracht. De controleur stelt voor hun eigen locaties officieel aan te wijzen als marktplaats om dit proces te versoepelen.
Opvallend is de interactie tussen de oorspronkelijke brief en de latere toevoegingen. In de kantlijn en onderaan is te zien hoe er geworsteld wordt met de formulering van het besluit. Uiteindelijk lijkt het besluit (onderste regels) een tussenweg te kiezen: de handelaren krijgen wel toestemming om daar te liggen met hun schuiten, maar de locaties worden niet officieel tot brandstoffenmarkt benoemd ("zonder dat deze waters zijn aangewezen als brandstoffenmarkt"). Dit wijst op een pragmatische oplossing (gedogen of tijdelijke ontheffing) in plaats van een formele wijziging van de marktverordening. De datum van het document, juni 1943, plaatst deze correspondentie midden in de Duitse bezetting van Nederland. Brandstofvoorziening (voornamelijk kolen) was in deze periode van cruciaal strategisch belang en onderhevig aan strenge distributie en overheidscontrole.
De Spijkerhaven en het Buiksloterhamkanaal liggen in Amsterdam-Noord, een gebied dat in die tijd een belangrijke industriële en logistieke functie had. De bureaucratische afhandeling toont aan dat, ondanks de oorlogsomstandigheden, de gemeentelijke diensten zoals het Marktwezen hun werkzaamheden volgens de geldende regels en procedures probeerden voort te zetten, waarbij kleine ondernemers probeerden om via officiële weg ontheffingen te krijgen om de operationele kosten te drukken in een economisch zware tijd.