Getypte ambtelijke brief/memorandum.
Origineel
Getypte ambtelijke brief/memorandum. 4 oktober 1944. 21/22/2M. SV.
4 October 1944.
Restitutie brandstoffen marktgeld ten name van J.Okel.
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r.
==========
Hiermede heb ik de eer U te berichten, dat J.Okel, wonende Singel 45, alhier, die voor het kalenderjaar 1944 met een vaartuig No. 3717 groot 51 ton, ligplaats aan een brandstoffenmarkt te dezer stede had ingenomen, met ingang van 13 September 1944 dit vaartuig moeten afstaan aan Duitsche Autoriteiten. Okel voornoemd verzoekt hem restitutie van marktgeld te verleenen.
Het terzake verschuldigde marktgeld ad f. 51.- is in zijn geheel voldaan. Indien Okel zijn vaartuig per maand en per week ligplaats had doen innemen, zou hij tot 13 September 1944 verschuldigd zijn geweest: 8 x 51 x 10ct. = f. 40,80 plus 3 x 51 x 2 ½ ct. = f. 3.83 is tezamen f. 44,63, zoodat aan Okel voornoemd restitutie ware te verleenen tot een bedrag van f. 51.- - f. 44,63 = f. 6,37.
Ik heb de eer U beleefd te verzoeken wel te willen bevorderen, dat op gronden van billijkheid bij besluit van den Burgemeester, krachtens de bepalingen van artikel 36 van de Verordening op de Heffing van markt-, standplaats- en ventgelden, aan Okel voornoemd restitutie van marktgeld wordt verleend tot een bedrag van f. 6,37.
De Directeur, * Onderwerp: Een verzoek tot terugbetaling (restitutie) van liggeld voor een marktplaats.
* Kern van de zaak: J. Okel had voor het hele jaar 1944 vooruitbetaald voor een ligplaats met zijn vaartuig (51 ton) op de brandstoffenmarkt. Echter, op 13 september 1944 werd zijn vaartuig gevorderd door de Duitse bezetter.
* Berekening: De ambtenaar rekent uit wat de kosten zouden zijn geweest als Okel per maand/week had betaald tot de datum van vordering (f. 44,63). Het verschil met het jaarbedrag (f. 51,00) is f. 6,37.
* Juridische basis: Er wordt verwezen naar de "billijkheid" en "artikel 36 van de Verordening op de Heffing van markt-, standplaats- en ventgelden". De beslissing ligt formeel bij de burgemeester. Dit document stamt uit de late fase van de Tweede Wereldoorlog (oktober 1944). Terwijl Zuid-Nederland al grotendeels bevrijd was, was West-Nederland nog bezet en heerste er grote schaarste aan brandstoffen. De "vordering" van vaartuigen door de Duitse autoriteiten was in deze periode schering en inslag; schepen werden gebruikt voor militair transport of om te voorkomen dat ze in geallieerde handen vielen.
Het document illustreert de bureaucratische realiteit van de bezetting: ondanks de chaos van de oorlog en de vordering van zijn bezit, doorloopt de burger de officiële weg om een relatief klein bedrag aan teveel betaalde belasting terug te krijgen, en zet het gemeentelijk apparaat de administratieve procedures nauwgezet voort. De "Directeur" die de brief ondertekent, is waarschijnlijk het hoofd van de gemeentelijke markt- of havendienst.