Archiefdocument
Origineel
28 oktober 1944. Jansen's Kolenhandel, Lijnbaansgracht 160, Amsterdam. Directie van het Marktwezen, Jan van Galenstraat 14, Amsterdam West. Nº 21/25/1 M. 1944 2/11
AMSTERDAM. C, 28 October 1944.
LIJNBAANSGRACHT 160
Aan de Directie van het Marktwezen,
Jan van Galenstraat 14.
Amsterdam. West.
Mijne Heeren,
Bij controle bleek dat onze boekhouder dd. 25/10 jl. per abuis een schuit welke niet voor onze rekening ligt heeft betaald. Het betreft quitantie No. 10303 schuit No. 4110.
De administratie hebben wij er direct van in kennis gesteld en heeft ons de betreffende marktmeester hierover laten opbellen. Van deze kregen wij ten antwoord; " Deze schuit is van jullie en als jullie gemeene zaakjes hebben of in de knoei zitten moeten jullie hier niet naartoe opbellen" waarna hij de telefoon ophing.
Wij verzoeken U in deze questie een onderzoek te willen instellen.
In afwachting Uwer nadere berichten,
Hoogachtend,
JANSEN'S Kolenhandel
Lijnbaansgracht 160
A'DAM-C. TEL. 44883
Handgeschreven aantekeningen:
Rechtsboven (blauw): m. Dir. Th. M. Teller [?]
Linksonder (potlood/rood): [onleesbare paraaf/naam, mogelijk "Mbergen"], Th. Liebman [?], onderzoek rvp.
Middenonder (potlood):
10 Nov 44
Gebeld met Jansen die zaak als afgedaan beschouwt aangezien controleur excuses heeft aangeboden
ls Deze brief vormt een formeel beklag van een kolenhandel aan het Amsterdamse marktbestuur. De kern van het conflict is tweeledig: een administratieve fout (een onterechte betaling voor een schuit kolen) en de daaropvolgende grove reactie van een ambtenaar (marktmeester).
De marktmeester suggereert in zijn geciteerde reactie dat de firma Jansen zich bezighoudt met "gemeene zaakjes" of "in de knoei zit", wat wijst op een sfeer van wantrouwen en mogelijke verdenkingen van zwarte handel of onregelmatigheden. Het bedrijf pikt deze belediging niet en eist een onderzoek. Uit de handgeschreven notitie onderaan blijkt dat de kwestie twee weken later informeel is opgelost door middel van excuses van de controleur aan de firma Jansen. Het document dateert van oktober 1944, midden in de Tweede Wereldoorlog tijdens de bezetting. Dit was het begin van de Hongerwinter. Brandstof, zoals kolen, was extreem schaars en de distributie ervan stond onder strenge controle van de overheid en het Marktwezen.
De Jan van Galenstraat was de locatie van de Centrale Markthallen, het logistieke hart van de voedsel- en brandstofvoorziening in Amsterdam. In een tijd van enorme schaarste en een bloeiende zwarte markt was de toon tussen handelaren en controlerende instanties vaak gespannen. De beschuldiging van de marktmeester ("gemeene zaakjes") moet in dit licht worden gezien: elke administratieve onregelmatigheid kon destijds worden geïnterpreteerd als een poging tot fraude of illegale handel. De uiteindelijke excuses suggereren echter dat het hier daadwerkelijk om een onschuldige boekhoudkundige fout van Jansen's Kolenhandel ging.