Handgeschreven brief (klacht).
Origineel
Handgeschreven brief (klacht). 21 maart 1944. [Linksboven:] No 30/25/1 [Stempel:] M. 1944 25/3
[Rechtsboven:] 21 Maart 1944 [Onleesbare paraaf/notitie]
Geachte Directeur
Bij deze wilde ik vragen namens
al de mensen die ’s morgens in de
rij staan voor vis op ’t water-
looplein. of er niet voor goed
aan eind kan gemaakt kan worden
met ’t geknoei van de marktmeesters
met de viskopers. Heden ochtend
kwamen de volendammers met 60 KG
vis en er is precies aan 41 mensen
1 K.G vis gegeven dus bleven er over
19 K.G en daarvan verdween een
flink portie in ’t gebouwtje van
de marktmeester en de rest is natuur-
lijk voor de zwarte handel want
een eindje van de markt vandaan
kon je ’t kopen voor 4 gulden per
pond. Vrijdag 17 Maart is ’t met de
brasem precies eender gegaan Zaterdag
bleef er wel 20 pond bliek in de
kar liggen dat is toch niet eerlijk
waarom is daar niet beter controle
op. De marktmeester van ’t waterlooplein
is geheel onbetrouwbaar door ’t geknoei
met de viskopers. Hopende dat deze klacht
voor ernst wordt genomen teken ik namens
alle mensen die graag een recht zien geschiedde
D E Bolhoed * Taalgebruik: De brief is geschreven in direct, enigszins informeel Nederlands ("'t geknoei", "een eindje vandaan"). De spelling is grotendeels correct voor de tijd, hoewel zinsconstructies soms dubbelingen bevatten ("kan gemaakt kan worden").
* Kernboodschap: De schrijver, handelend namens de wachtenden in de rij, klaagt over de marktmeesters op het Waterlooplein. Zij worden beschuldigd van verduistering van vis (19 kg van de 60 kg) ten gunste van de zwarte markt, waar de vis voor de woekerprijs van 4 gulden per pond wordt verkocht.
* Specifieke details: Er worden concrete voorbeelden genoemd van vrijdag 17 maart (brasem) en een zaterdag (bliek), wat de klacht onderbouwt met feiten. De rode onderstrepingen suggereren dat een controlerende instantie de belangrijkste punten heeft gemarkeerd voor verdere actie.
* Toon: Verontwaardigd maar beleefd. De brief eindigt met een beroep op rechtvaardigheid. Dit document stamt uit maart 1944, de late fase van de Duitse bezetting van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. Dit was een periode van extreme schaarste, waarin vrijwel alle levensmiddelen op de bon waren.
De brief illustreert de dagelijkse overlevingsstrijd en de groeiende frustratie onder de Amsterdamse bevolking over corruptie. Terwijl burgers urenlang in de rij stonden voor een schaars portie vis, verrijkten functionarissen (zoals de genoemde marktmeesters) zichzelf door goederen achter te houden voor de illegale 'zwarte handel'. De genoemde prijs van 4 gulden per pond was in 1944 een enorm bedrag, onbetaalbaar voor de gemiddelde burger. Het Waterlooplein, gelegen in de toenmalige Joodse buurt (die in 1944 grotendeels gedeporteerd was), bleef een cruciaal punt voor de resterende voedselvoorziening in de stad.