Archiefdocument
Origineel
12 juni 1944. Rapport. Nº 30/37/4 M. 1944 u/v
Den Heer Inspecteur.
Naar aanleiding van de klacht over onmensche-
lijke behandeling van A Weitz plaatshouder op het Waterlooplein
het volgende.
Genoemde Weitz had grooter plaats ingenomen als hem
is toegewezen waar ik betaling voor vorderde; hiervan vol-
deed hij niet, zeggende dat hij nog nooit een losse plaats had
betaald en dit nu ook niet deed. Ik maakte hem er op attend
dat ik met vroeger niets te maken had en hij nu moest betalen
en dat hij anders niet meer mocht uitstallen. Hij antwoordde
mij „Ik heb niets met je te maken, en ik ga toch staan”, waarop ik
hem geantwoord heb, dat ik hem dan er af zou gooien.
Ik ben daarna nog naar hem toegegaan met Marktmeester Kens
en deze heeft hem ook gelast te betalen, maar hij herhaalde, wat
hij tegen mij had gezegd daarvan toevoegende dat de vorige
Marktmeesters doch slapgerollen waren, daar die nooit een op-
merking hadden gemaakt. Den Heer Kens kent deze man als opstan-
dig, daar hij op de Nieuwmarkt ook slecht wou betalen als hij meer
plaats innam.
Burg
12-6-44 Dit document is een formeel verslag van een conflict op de Amsterdamse markt. De kern van het geschil is financieel: de koopman A. Weitz nam meer ruimte in dan waarvoor hij betaald had en weigerde bij te betalen, verwijzend naar soepeler beleid in het verleden. De rapporteur (Burg) stelde zich streng op en dreigde de koopman van de markt te verwijderen ("er af zou gooien").
De koopman heeft hierop blijkbaar een klacht ingediend wegens "onmenschelijke behandeling". De rapporteur verweert zich door Weitz neer te zetten als een recalcitrant figuur die de autoriteit van de marktmeesters ondermijnt. Hij gebruikt hiervoor ook de getuigenis van Marktmeester Kens, die bevestigt dat Weitz ook op de Nieuwmarkt bekend staat als een "opstandig" persoon. De term "slapgerollen" (waarschijnlijk een lokaal scheldwoord of verbastering voor slappelingen) die Weitz gebruikte voor eerdere marktmeesters, dient als bewijs voor zijn brutale houding. De datum van het document, 12 juni 1944, is historisch zeer relevant. Het is minder dan een week na D-Day, tijdens de Duitse bezetting van Nederland. In deze periode was de sfeer in Amsterdam grimmig en was de handhaving op de markten (zoals het Waterlooplein en de Nieuwmarkt) streng gereguleerd.
Het Waterlooplein was vanouds de Joodse markt van Amsterdam, maar in de zomer van 1944 was de Joodse bevolking grotendeels gedeporteerd en was het karakter van de markt drastisch veranderd. Een beschuldiging van "onmenselijke behandeling" was in die tijd een zware aantijging, wat verklaart waarom de ambtenaar zich genoodzaakt voelde om dit incident zo gedetailleerd en met ruggensteun van een collega te rapporteren aan de inspecteur.