Ambtelijk schrijven / Kennisgeving van inbraak.
Origineel
Ambtelijk schrijven / Kennisgeving van inbraak. 22 november 1944. [Marginale notitie in rood, verticaal]:
overleden afd. Algemeene zaken enz. / aan Jodenkerk gaat
[Stempel linksboven]:
V.B. / afg.
Den Heer Ph. van Meekerig
p/a Den Poelhuizen te Middelburg.
Hiermede bericht ik U,
dat is geconstateerd, dat in de door U ver-
laten woning aan de Vischmarkt, de
Ruyterkade een inbraak is gepleegd.
Rapport hierover door den ambtenaar
J.M. Blaauw van mijn dienst, doe ik
U in bijlage dezes toekomen.
Volledigheidshalve wijs ik U erop,
dat dezerzijds generlei aansprakelijkheid
voor de door U verlaten woning wordt ge-
nomen en dat U hiervoor behoort zelf
voor een eventueele bewaking moet zorgdragen.
22/11 ’44 y [Initieel/Paraaf] * Inhoud: Het document is een formele mededeling aan een burger (Ph. van Meekerig) dat er is ingebroken in zijn "verlaten woning". De instantie stuurt een rapport van de ambtenaar Blaauw mee, maar wijst nadrukkelijk elke aansprakelijkheid voor de veiligheid van het pand af. De eigenaar/bewoner wordt gesommeerd zelf voor bewaking te zorgen.
* Taalgebruik: Formeel, ambtelijk Nederlands ("Hiermede bericht ik U", "dezerzijds generlei").
* Marginale aantekening: De rode tekst in de marge lijkt een later toegevoegde administratieve opmerking. De verwijzing naar "overleden" en "Algemeene zaken" suggereert dat het dossier is overgedragen of dat de status van de geadresseerde is gewijzigd. De term "Jodenkerk" (of Jodenkade) kan duiden op de specifieke locatie of een administratieve afdeling die belast was met panden van gedeporteerde of gevluchte burgers. Dit document stamt uit november 1944. Middelburg was kort daarvoor, begin november 1944, bevrijd tijdens de Slag om de Schelde (operatie Infatuate). De stad kampte in die periode met grote chaos, verwoestingen door inundaties (onderwaterzetting van Walcheren) en achtergelaten eigendommen.
De term "verlaten woning" is hier cruciaal. Tijdens de bezetting en direct na de bevrijding stonden veel huizen leeg door evacuatie, deportatie van Joodse burgers, of omdat bewoners op de vlucht waren voor het oorlogsgeweld. Inbraak en plundering van dergelijke panden kwamen op grote schaal voor. De lokale autoriteiten probeerden de orde te handhaven, maar zoals uit dit document blijkt, schoof men de verantwoordelijkheid voor de fysieke beveiliging van private eigendommen direct terug naar de eigenaar, waarschijnlijk door een gebrek aan mankracht en middelen in de chaotische bevrijdingsmaand. J.M. Blaauw